Strafprocesrecht

Het legaliteitsbeginsel in Straatburgs perspectief

J. de Hullu

Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM/ECHR) 22 november 1995, Application no. 20190/92, ECLI:CE:ECHR:1995:1122JUD002019092 (C.R. v. the United Kingdom) Het Europese Hof benadrukt het prominente belang van het strafrechtelijke legaliteitsbeginsel. Strafbaar gedrag moet duidelijk in het recht zijn omschreven, en dat recht moet aan diverse kwalitatieve vereisten zoals toegankelijkheid en voorzienbaarheid voldoen. Extensieve interpretatie is problematisch. Dit alles neemt echter niet weg dat het wel mogelijk en in het licht van het legaliteitsbeginsel toelaatbaar is om regelgeving over strafrechtelijke aansprakelijkheid door interpretatie geleidelijk te verhelderen en aan gewijzigde om¬standigheden aan te passen, wanneer die ontwikkeling tenminste overeenstemt met de essentie van het delict en redelijkerwijs te voorzien was.

Annotaties en wetgeving | Annotatie
juli 1996
AA19960508

Het OM gestraft, de verdachte beloond?

J.A. Bomhoff, B. Degelink

In dit redactionele artikel wordt ingegaan op de sanctie van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bij ernstige schending van rechten van de verdachte en schending van het wettelijk systeem bij strafzaken. De redactieleden betogen dat deze niet-ontvankelijkheid echter niet te snel moet worden ingezet om het openbaar ministerie te sanctioneren bij onrechtmatig handelen.

Opinie | Redactioneel
juli 2001
AA20010525

Het ontwerp wetsvoorstel computercriminaliteit III

M.E. Buwalda, N.J.M. Kwakman

Post thumbnail De samenleving wordt steeds vaker geconfronteerd met ernstige vormen van computercriminaliteit. Dat vraagt om nieuwe, speciaal daarop toegesneden, straf(proces)rechtelijke instrumenten. Daartoe worden in het ontwerp wetsvoorstel Computercriminaliteit III verstrekkende bevoegdheden toegekend aan politie en justitie. De vraag is of een doelmatige bestrijding van ernstige computercriminaliteit de daarmee gepaard gaande inbreuken op fundamentele rechten, zoals het nemo tenetur-beginsel, voldoende rechtvaardigt.

Verdieping | Verdiepend artikel
januari 2014
AA20140009

Het Openbaar Ministerie en de strafbeschikking. De voortdurende ontlasting van de rechtspraak

M. Otte

Sinds het Openbaar Ministerie zelfstandig straffen kan opleggen is er kritiek op de kwaliteit van de zogeheten strafbeschikking. De officier van justitie zou te schielijk straffen, zonder voldoende bewijsmiddelen en zonder dat de verdachte voldoende rechtsbijstand heeft. Ook keert de vraag steeds terug of toch niet beter de strafrechter deze zaken kan afdoen. In deze bijdrage bespreek ik een deel van deze kritiek en schets ik een ander perspectief.

Opinie | Opiniërend artikel
maart 2019
AA20190182

Het optreden tegen seksueel misbruik door kerkelijke ambtsdragers

T. van Kooten, J.W. Sap

In dit artikel willen de auteurs aan de hand van kerkordes bij enkele protestantse kerken in Nederland nagan wat omtrent seksueel misbruik door kerkelijke ambtsdragers door deze kerken geregeld is.

Opinie | Opiniërend artikel
november 2002
AA20020813

Het proces Eichmann (1961)

G.A.M. Strijards

In deze bijdrage wordt een parallel getrokken tussen het historische proces Eichmann en het proces Milosevic, dat nog niet tot de geschiedenis behoort, maar ongetwijfeld geschiedenis gaat maken. In het bijzonder gaat het om de vraag naar de rechtmatigheid van extraterritoriale rechtsmachtuitoefening achteraf. Staat het legaliteitsbeginsel dat toe? Kan een internationaal strafrechtelijk proces eigenlijk wel gedepolitiseerd worden? Een vergelijking van de proceshouding van twee officials die weten dat ze zullen ‘hangen’. Twee procedures met internationaal-strafrechtelijke aspecten, die kunnen gelden als polaire ijkpunten, waaraan de ontwikkeling van het volkenrecht gedemonstreerd kan worden.

Overig | Rode draad | Historische rechtszaken
oktober 2003
AA20030749

Het slachtoffer en de afgedwongen verschijning van de verdachte

Het slachtofferbeslag

C.B. van der Net

Op 1 januari 2014 is de Wet houdende aanpassing van onder andere het Wetboek van Strafrecht (Sr) en het Wetboek van Strafvordering (Sv) in verband met de introductie van het zogenaamde slachtofferbeslag in werking getreden. In deze bijdrage wordt dit slachtofferbeslag nader toegelicht.

Annotaties en wetgeving | Wetgeving
februari 2014
AA20140133

Het straatverbod: onbeperkte toepassing?

A. Holwerda

Het straatverbod blijkt de laatste tijd een veelbeproefd juridisch instrument voor mensen die worden lastiggevallen of dreigen te worden lastiggevallen. Tot nu toe heeft de rechter zich zeer gevoelig getoond voor de noden en behoeften van degenen die in kort geding een verbod eisten. Bestudering van de rechtspraak maakt een groeiende bekommernis zichtbaar met de positie van slachtoffers van onrechtmatige gedragingen. Deze constatering leidt tot de vraag naar de juridische begrenzingen van het straatverbod. Hoe ver kan en mag de rechter gaan bij het honoreren van de behoefte van eiser(es) om verschoond te blijven van ongewenste confrontaties? Waar komt een straatverbod in strijd met het belang van de gedaagde om onder zo min mogelijk vrijheidsbeperkende maatregelen te leven? Het is dit probleem van de verenigbaarheid van straatverboden met het grondrecht van bewegingsvrijheid welke het onderwerp vormt van dit artikel. Aan de hand van enkele markante gevallen uit de rechtspraktijk zal ik proberen aan te geven wat ik, gelet op het grondrecht van bewegingsvrijheid, nog een toelaatbare toepassing van het straatverbod acht.

Overig | Rode draad | Slachtoffers van delicten
maart 1989
AA19890175

Het toetsen van de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen en de bewijsconstructie: wat vermag de rechter?

L. Stevens

Hoge Raad 29 september 2015, nr. 13/04497, ECLI:NL:HR:2015:2842

Annotaties en wetgeving | Annotatie
april 2016
AA20160281

Het verschoningsrecht van de advocaat – actuele ontwikkelingen

D.J.B. de Wolff

Post thumbnail In dit artikel staat het verschoningsrecht van advocaten centraal. Nadat ratio en reikwijdte ervan zijn besproken, wordt ingegaan op enkele actuele thema’s: het verschoningsrecht van (buitenlandse) in-house-advocaten die in Nederland werken, het verschoningsrecht bij interne feitenonderzoeken en de schending door het Openbaar Ministerie van de vertrouwelijkheid van de communicatie tussen cliënt en advocaat in de geruchtmakende Box-zaak. Ten slotte wordt vooruitgeblikt op het voorstel tot modernisering van het Wetboek van Strafvordering en de wijze waarop het verschoningsrecht daarin zal worden verankerd.

Verdieping | Verdiepend artikel
oktober 2022
AA20220767

Het verwerken van gegevens in het kader van de opsporing

R. Sietsma

Gegevensverwerking is van essentieel belang voor de (justitile) politietaak. Maatschappelijke en technologische ontwikkelingen nopen de wetgever tot het vinden van een balans tussen het effectief waarborgen van de veiligheid van de burger enerzijds en de bescherming van de privacy van diezelfde burger anderzijds. Dit vraagt om duidelijkheid omtrent de juridische en maatschappelijke mogelijkheden en onmogelijkheden van de verwerking van gegevens in het kader van de opsporingstaak. Wat is de behoefte, wat is er mogelijk en waar liggen de grenzen aan het verwerken van privacygevoelige informatie?

Literatuur | Proefschriftbijdrage
juni 2007
AA20070534