Strafprocesrecht
Resultaat 361–372 van de 409 resultaten wordt getoond
Uitlokking door burgers en de (on)bruikbaarheid van het daardoor verkregen bewijsmateriaal
M. Lochs
Naar aanleiding van het verschijnsel van zogenaamde pedojagers rijst de vraag of in het strafproces gebruik kan worden gemaakt van bewijs dat is verkregen door middel van uitlokking door burgers. In dit artikel wordt onderzocht wat het in de strafrechtspraak ontwikkelde toetsingskader van uitlokking betekent voor de omgang met dergelijk bewijs. Daarbij wordt tevens aandacht besteed aan het in Engeland geldende leerstuk van private entrapment.
Advertorial
Als Officier van Justitie heb je de regie over het opsporingsonderzoek, bijv. bij grote drugszaken in de haven van Rotterdam. Welke methode pas jij toe?
Bij een terminal op de Maasvlakte houdt de politie 3 jongens aan. Ze zijn geronseld om drugs op te halen bij een container in de haven. De vangst: 1000 kilo coke. Maar dan begint het pas. Een van hen heeft een telefoon bij zich. Het tappen levert direct al volgende aanknopingspunten op. Wie spoor je allemaal op? Lees meer >>
Verdieping | Verdiepend artikel
maart 2022
AA20220177
Resultaat 361–372 van de 409 resultaten wordt getoond





Is de leer van de redelijke toerekening wel zo redelijk? Deze leer speelt een belangrijke rol in het materiële strafrecht bij causaliteit, aansprakelijkheid van rechtspersonen en ontoerekenbaarheid bij psychische stoornissen. Zonder nadere uitleg van redenen voor strafrechtelijke aansprakelijkheid is de toepassing van de leer van de redelijke toerekening een vorm van rechterlijke willekeur op basis van machtspreuken. Die redenen kunnen worden gevonden in de beginselen van het strafrecht en de belangen die door het strafrecht worden beschermd.
The Collapse of American Criminal Justicewerd door rechtsgeleerde William Stuntz afgerond op zijn sterfbed. Daardoor heeft hij niet meer kunnen meemaken wat het boek teweeg heeft gebracht. Maartje van der Woude bespreekt in deze bijdrage het boek, dat volgens haar verplichte kost zou moeten worden voor Nederlandse juridische masterstudenten.
The International Criminal Court (ICC) became a reality with the adoption of the Rome Statute on 17 July 1998 and its entry into force on 1 July 2002. The Court is a permanent institution and self-standing international organization, established beyond the United Nations – but in fact existing and operating in close connection with it. One of the most contentious issues of the negotiations that led to the adoption of the Court’s constitution was the issue of its jurisdiction. An important question for analysis is the following: how little of an international crime need take place on State Party territory for the Court to have jurisdiction? This is the main question that will be addressed in this article.
In dit artikel wordt de wenselijkheid van afschaffing van de vervolgingsverjaring van jegens minderjarigen gepleegde zedenmisdrijven onderzocht. Ingegaan wordt met name op de (on)mogelijkheid van het vergaren en waarderen van bewijs waar het gaat om (tientallen) jaren geleden gepleegde zedenmisdrijven. Aan bod komt onder meer de aan zedendelicten inherente bewijsproblematiek, de rechtspsychologische theorie van hervonden herinneringen en een rechtspraakonderzoek. Bovendien worden enkele principiële argumenten besproken.
Deze bijdrage onderzoekt hoe het Internationaal Strafhof moreel ambigue daders benadert, met bijzondere aandacht voor voormalige kindsoldaten die na hun achttiende internationale misdrijven plegen. Aan de hand van de zaak tegen Dominic Ongwen wordt betoogd dat het strafrechtelijke kader van het Internationaal Strafhof in beginsel voldoende ruimte biedt om hun moreel complexe status te adresseren, maar dat deze ruimte in zijn geval onvoldoende is benut.