Burgerlijk recht

De artikelen 1639aa e.v. BW en het faillissement

D.H. Lodder

In november 1985 verscheen van de hand van Jack Linssen in Ars Aequi het artikel 'De Wet overgang van ondernemingen: artt. 1639aa e. v. BW.' Hierin schetste de auteur de problemen die zich voordeden bij de automatische overgang van arbeidsovereenkomsten op een nieuwe werkgever, die een onderneming overneemt. Centraal stond de vraag of de artikelen 1639aa-dd BW van toepassing waren in geval van faillissement. In antwoord op enkele prejudiciële vragen, gaf het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap de uitspraak dat de Richtlijn waarop de artikelen 1639aa-dd BW gebaseerd zijn, niet van toepassing is op de overgang van een onderneming in geval van faillissement. Het Hof bepaalde echter ook dat het de lidstaten vrijstond om de werknemers een verdergaande bescherming toe te kennen. Hierdoor werd de vraag met betrekking tot de werking van de artikelen 1639aa-dd BW een kwestie van uitleg van de nationale regeling. Deze uitleg wordt voor ons land gevonden in het recente arrest van de Hoge Raad, 30 oktober 1987, RvdW 1987 nr. 196.

Verdieping | Studentartikel
april 1988
AA19880223

De Arubaanse en de Curaçaose verwekker en de nationaliteit van het door hen postnataal erkende kind

A.J.M. Nuytinck

Hoge Raad 26 januari 2007, nr. R05/153HR, ECLI:NL:HR:2007:AZ1634, LJN: AZ1624, NJ 2007, 73 (Arubaanse zaak) en Hoge Raad 26 januari 2007, nr. R05/125HR, ECLI:NL:HR:2007:AZ1624, LJN: AZ1634 (Curaçaose zaak) Vaststelling Nederlanderschap; kind van niet-Nederlandse moeder dat na zijn geboorte door Nederlander wordt erkend; postnatale erkenning in combinatie met gerechtelijk bewijs van het verwekkerschap met het oog op de toepassing van artikel 4 Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: RWN) is gelijk te stellen met gerechtelijke vaststelling van het vaderschap in de zin van artikel 1:207 BW; artikel 26 Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (hierna: IVBPR).

Annotaties en wetgeving | Annotatie
april 2007
AA20070354

De Auteursrechtrichtlijn: op welke wijze zal de auteursrechthebbende beroep kunnen doen op de driestappentoets?

J.M. Gonsalves

De Auteursrechtrichtlijn, die met name ten doel heeft het auteursrecht binnen de Europese Gemeenschappen te harmoniseren, is in 2001 in werking getreden. In artikel 5 lid 5 van de richtlijn is de driestappentoets opgenomen. Deze houdt in dat een wettelijke beperking op het recht van een auteursrechthebbende slechts is toegestaan indien het gebruik van de beperking 1) een bijzonder geval betreft, 2) niet in strijd is met de normale exploitatie van het werk en 3) geen onredelijke schade aan de legitieme belangen van de auteursrechthebbende toebrengt. Het is de vraag op welke wijze de auteursrechthebbende beroep zal kunnen doen op de driestappentoets.

Verdieping | Studentartikel
mei 2005
AA20050321

De bancaire informatieplicht: de relatie bank-fiscus aangescherpt

J.C.V. Geenen

Nadat Slavenburg's haar hierin voorging, werden begin oktober 1984 bij het hoofdkantoor van de Verenigde Spaarbank in Nieuwegein en een tiental filialen daarvan in regio Amsterdam invallen gedaan. De invallen brachten inzicht in de verschillende vormen waarin belastingfraude bedreven wordt en in de omvang daarvan. Mede op basis daarvan werd besloten een rentesteekproef te doen uitvoeren naar de mate waarin door cliënten van de banken ontvangen rente in de belastingheffing wordt betrokken. In onderstaand artikel wordt ingegaan op de, gegeven de resultaten, noodzakelijk geachte verruiming van de informatievoorziening van de banken aan de fiscus. Deze verruiming zal bezien worden in samenhang met de in de AWR opgenomen regeling en de beperkingen die daarop golden.

Verdieping | Verdiepend artikel
maart 1988
AA19880163

De bancaire kredietovereenkomst

A.J. Verdaas

Post thumbnail De juridische en praktische aspecten van bancair krediet, in het bijzonder van kredieten zoals die door Nederlandse banken verstrekt worden aan kleine tot middelgrote ondernemingen en non-profitorganisaties.

9789492766229 - 04-04-2018

De bancaire kredietovereenkomst (Digitaal boek)

A.J. Verdaas

Post thumbnail De juridische en praktische aspecten van bancair krediet, in het bijzonder van kredieten zoals die door Nederlandse banken verstrekt worden aan kleine tot middelgrote ondernemingen en non-profitorganisaties.

9789492766229 - 04-04-2018

De begrippen overeenkomst, partij en derde in het civiele recht

A.L.H. Ernes, A.H. Lamers

Post thumbnail In deze bijdrage zal aandacht worden besteed aan de vraag wie kan worden gezien als partij bij een overeenkomst, en aansluitend hierop: wie zijn derden? Sluiten de begrippen ‘partij’ en ‘derde’ elkaar uit, of bestaan er overlappingen? Daarnaast zal worden gekeken naar de problematiek van de samenhangende overeenkomsten, waarbij de vraag kan worden gesteld of degene die partij is bij de ene overeenkomst, ook contractuele rechten kan ontlenen aan de overeenkomsten die met deze eerste overeenkomst samenhang vertonen. Tot slot zal worden onderzocht op welke wijze contractencomplexen, waarvan de samenhang zo sterk is dat kan worden gesproken van een contractengroep, kunnen worden afgebakend in die zin dat kan worden vastgesteld welke contractanten in dat complex, ondanks het feit dat ze geen directe bilaterale contractuele band met elkaar hebben, elkaar toch kunnen aanspreken op grond van contractuele rechten.

Verdieping
januari 2012
AA20120026

De beheersbevoegdheid van de hypotheekhouder in rechtshistorisch en rechtsvergelijkend perspectief

R. Bobbink

Dit artikel gaat over het recht van pandgebruik: de bevoegdheid tot gebruik, beheer en vruchttrekking van een zekerheidsobject door de zekerheidsgerechtigde. De auteur beschouwt de ontwikkeling en toepassing van deze rechtsfiguur op onroerende zaken, vanaf het Romeinse recht tot het heden. De inzichten uit deze historische rechtsvergelijking bieden inspiratie bij de uitleg van de beheersbevoegdheid van de hypotheekhouder in het geldende Nederlandse recht.

Literatuur | Proefschriftbijdrage
december 2021
AA20211141

De beoordeling van een vordering tot opheffing van een conservatoir beslag

A.W. Jongbloed

Hoge Raad 17 april 2015, nr. 14/01028, ECLI:NL:HR:2015:1074 (Hwang/Nidera c.s.; Pine trader)

Annotaties en wetgeving | Annotatie
oktober 2015
AA20150794

De beoordeling van joint ventures onder Europees en nationaal mededingingsrecht

R. Ludding

In de marktgeoriënteerde economieën van de Lid-Staten van de Europese Unie is de mededinging tussen ondernemingen een drijvende kracht, het belangrijkste mechaniek voor het (uiteindelijk) efficiënt aanwenden van schaarse productiemiddelen, een stimulator van vernieuwing. Zowel op nationaal als op Europees niveau bestaan rechtsregels die ondernemingen weliswaar niet tot actieve concurrentie verplichten, maar wel beogen ondernemersgedrag dat tot een afnemende intensiteit of kwaliteit van de mededinging leidt of kan leiden, aan banden te leggen. Een gemeenschappelijke onderneming kan onder omstandigheden een merkbare beperking van de mededinging (tussen de partners onderling of tussen hen en derde-ondernemingen) tot gevolg hebben. Deze bijdrage bespreekt de beoordeling van dat gevolg naar Europees en nationaal recht.

Bijzonder nummer | Joint Ventures
mei 1995
AA19950409

De beperkte, eenvoudige gemeenschap van een huurrecht van buiten iedere huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap gehuwde echtgenoten

A.J.M. Nuytinck

Hoge Raad 14 december 2007, nr. C06/109HR, ECLI:NL:HR:2007:BA4202, LJN: BA4202 Annotatie bij een arrest van de Hoge Raad over voortzetting van het huurgenot na echtscheiding van echtgenoten die buiten enige gemeenschap van goederen zijn gehuwd. Aan de orde komen verrekening na overbedeling bij gebruik van de huurwoning, verhouding tussen huwelijks- en eenvoudige gemeenschap.

Annotaties en wetgeving | Annotatie
maart 2008
AA20080218

De bescherming van derde-verkrijgers tegen stille pandrechten: een eeuwenoude traditie

V.J.M. van Hoof

Artikel 3:86 lid 2 BW beschermt derde-verkrijgers te goeder trouw tegen stille pandrechten op roerende zaken. Vanaf Romeinse tijden verpanden veel ondernemingen vrijwel al hun bestaande en toekomstige zaken aan de bank. Is de goede trouw wel een geschikt criterium als veel verkrijgers kunnen vermoeden dat alles is verpand? Had de wetgever niet beter voor alternatieve, in het verleden beproefde criteria kunnen kiezen?

Literatuur | Proefschriftbijdrage
januari 2016
AA20160060