Faillissementsrecht

Sanering van de surséance van betaling

M. Nillessen

De regeling van de surséance van betaling, opgenomen in Titel II van de Faillissementswet (artt. 213-283), is de laatste jaren regelmatig besproken. Reden hiervoor is dat in de praktijk, aan zowel bedrijven als particulieren die in financiële problemen zijn geraakt, deze regeling niet voldoende mogelijkheden biedt voor een oplossing van die moeilijkheden. De wetgever zal te hulp geroepen moeten worden, wil hierin verandering komen. Een eerste aanzet werd gegeven door de preadviezen van Blokland, Maas en Van Schaik over 'De in haar continuïteit bedreigde onderneming' voor de Vereeniging 'Handelsrecht' in 1983. Deze werden in het daaropvolgende jaar gevolgd door een rapport van de — door dezelfde vereniging ingestelde — Commissie Insolventierecht, waarin een schets voor een Wet reorganisatie en herstel van ondernemingen werd voorgesteld. Een en ander is voor de Minister van Justitie aanleiding geweest om in 1986 over te gaan tot het instellen van de Staatscommissie Mijnssen, die zich thans over de in dit artikel te bespreken materie buigt. Daarnaast heeft de praktijk zelf naar nieuwe wegen gezocht. In dit artikel wordt kort stilgestaan bij de huidige wet om vervolgens, aan de hand van geconstateerde knelpunten bij de toepassing daarvan, een bespreking te geven van mogelijke oplossingen.

Verdieping | Studentartikel
maart 1988
AA19880151

Schade en schande

J.B.A. Jansen

Post thumbnail Hoe is een gespecialiseerde curator ooit tot de keuze gekomen om zich te verdiepen in het faillissementsrecht? Welke omstandigheden kwamen op zijn pad die tot die keuze hebben geleid? Na ruim dertig jaar ervaring als advocaat en vijfentwintig jaar als curator overdenkt Bert Jansen op deze Blauwe pagina’s zijn werkend leven.

Blauwe pagina's | Eerste kennismaking
januari 2025
AA20250004

Scheiding der machten in het goederen- en insolventierecht

R.M. Wibier

Hoge Raad 13 juni 2003, nr. C01/227HR, ECLI:NL:HR:2003:AF3413, NJ 2004/196, m.nt. W.M. Kleijn, AA20040775, m.nt. R.D. Vriesendorp (Beatrixziekenhuis/ProCall). Ook wel bekend als het ProCall-arrest. Het goederen- en insolventierecht geeft zelden aanleiding tot een competentiestrijd tussen de wetgever en de rechter. Mede daarom is de zaak Beatrixziekenhuis/ProCall – die speelde in 2003 – zo interessant. De Hoge Raad gebruikt het argument dat aanvaarding van een trust niet aan hem, maar aan de wetgever is.

Annotaties en wetgeving | Annotatie
oktober 2020
AA20200949

schuldsaneringsregeling natuurlijke personen per 1 december 1998 in werking

Faillissementswet verrijkt met derde insolventieprocedure

G.H. Lankhorst

In dit artikel wordt de derde insolventieprocedure van de Faillissementswet besproken, de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen. Het artikel bevat een geschiedenis van de regeling, hoofdlijnen, rechtsgevolgen, toelatingseisen, rechtsmiddelen, overgangsregels en uitvoeringsaspecten

Annotaties en wetgeving | Wetgeving
december 1998
AA19980970

Snijd aanbieders van illegale schuldhulp de pas af

N. Jungmann

Post thumbnail Gemeenten bieden gratis hulp bij schulden. Toch betalen burgers soms honderden tot duizenden euro’s aan commerciële aanbieders die dit illegaal aanbieden. Het kabinet verkent de mogelijkheden om deze aanbieders aan te pakken via het bestuurs- in plaats van via het strafrecht. In deze opinie wordt betoogd om, naast deze lijn, ook na te gaan denken over een herijking van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. Deze kaderwet geeft gemeenten veel vrijheden om de ondersteuning naar eigen believen in te vullen. Wat zou het opleveren als gemeenten elke burger voorzien van aantrekkelijke en snelle schuldhulp? Zou de markt voor de illegale en kostbare praktijken dan niet vanzelf opdrogen?

Opinie | Opiniërend artikel
november 2024
AA20240926

Spanningen bij de naleving van de Algemene verordening gegevensbescherming door de faillissementscurator

M.D. Reijneveld

Op 30 januari 2023 promoveerde Minke Reijneveld aan de Radboud Universiteit met het proefschrift ‘Gegevensbescherming in faillissement’. In deze bijdrage vertelt ze over haar onderzoek.

Literatuur | Proefschriftbijdrage
mei 2023
AA20230379

Staal Bankiers-Mr. Ambags q.q.

S.C.J.J. Kortmann

Hoge Raad 25 maart 1988, nr. 13171, ECLI:NL:HR:1988:AD0247, RvdW 1988, 69 (Staal Bankiers/Mr. Ambags q.q.) In dit arrest en de daarbij behorende noot staat centraal in hoeverre een toekomstige vordering door een cessie tot zekerheid overgaat op de cessionaris . Daarbij komt eerdere jurisprudentie aan de orde waarbij de vereisten voor de overdracht van toekomstige goederen wordt besproken (voldoende bepaalbaarheid, opschortende tijdsbepaling). Ook wordt de werking van het faillissement hierbij besproken. De cessie van een toekomstige vordering kan wegens het bepaalde in artikel 23 Fw (thans art. 35 lid 2 Fw) niet tegen de boedel worden ingeroepen, indien de cedent vóór het ontstaan van de vordering wordt failliet verklaard.

Annotaties en wetgeving | Annotatie
januari 1989
AA19890056

Toezicht in beweging

Mediation bij faillissement en het horen door de rechtercommissaris

J. van Mourik

Op basis van het Landelijk Mediationprotocol Insolventieprocedures kunnen rechter-commissarissen curatoren vragen om mediation te overwegen, voordat zij een procesmachtiging verlenen. Dit Mediationprotocol past in een bredere trend. De rechter-commissaris houdt indringender toezicht op de doelmatigheid van de procedure en betrekt in toenemende mate de standpunten van betrokken schuldeisers bij zijn beslissingen. Dit artikel bespreekt deze ontwikkelende rol van de rechter-commissaris.

Literatuur | Proefschriftbijdrage
februari 2026
AA20260160

Transparantie bij de benoeming van de faillissementscurator

B. Wessels

Post thumbnail

In Nederland zijn de regels die de selectie en benoeming van een faillissementscurator regelen onduidelijk. De Faillissementswet is verre van volledig, door rechters in 2013 geformuleerde uitgangspunten missen een grondslag in de wet, zijn onduidelijk of onbekend, zijn per arrondissement verschillend en bieden een kandidaat voor benoeming een weinig zekere rechtsgang. Vanuit een rechtsvergelijkend en Europees perspectief formuleert de auteur voorstellen tot verbetering.

Verdieping | Verdiepend artikel
december 2017
AA20170965

Van den Bergh/Van der Walle

A.I.M. van Mierlo

Hoge Raad 29 oktober 2004, nr. C03/166HR, ECLI:NL:HR:2004:AP4504, RvdW 2004, 123 (Van den Bergh/Van der Walle) Conservatoir (derde)beslag op niet benutte kredietruimte is niet mogelijk.

Annotaties en wetgeving | Annotatie
oktober 2005
AA20050846

Van der Werf q.q.- BLG

R.D. Vriesendorp

Hoge Raad 8 juni 2007, nr. C05/329HR, ECLI:NL:HR:2007:AZ4569, LJN: AZ4569, RvdW 2007, 552 (Van der Werf q.q./BLG) De noot bij dit arrest van de Hoge Raad sluit aan bij het arrest Ontvanger/Hamm q.q. waarbij de onverschuldigde betaling in faillissement aan de orde is. De Hoge Raad stelt vast dat indien een betaling aan de gefailleerde onmiskenbaar bij vergissing is voldaan, waarbij er van de curator onderzoek mag worden gevergd naar de onverschuldigdheid van de betaling, deze betaling onmiddellijk dient te worden teruggestort aan de betalende partij. Vriesendorp vindt de regeling niet goed en er dient volgens hem meer aansluiting gezocht te worden bij de regels van het Anglo-Amerikaanse recht inzake de 'mistake'.

Annotaties en wetgeving | Annotatie
februari 2008
AA20080128

Van Dooren q.q./ABN Amro

R.D. Vriesendorp

Hoge Raad 16 juni 2000, nr. C96/2308HR, ECLI:NL:HR:2000:AA6234, www.jwb.nl 2000, 98, RvdW 2000, 156C, NJ 2000, 578 (Van Dooren q.q./ABN Amro) Dit arrest lijkt een afronding te vormen van een ontwikkeling waarbij de Hoge Raad de reikwijdte van de faillissementspauliana, die van artikel 47 Fw in het bijzonder, sterk heeft ingeperkt. Een belangrijk middel om verdachte transacties aan de vooravond van een faillissement ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers te bestrijden lijkt langzamerhand aan de curator ontnomen te zijn. Hij zal in voorkomend geval zijn toevlucht moeten zoeken tot de onrechtmatige daadsvordering, met alle (bewijs) problemen van dien. In deze noot zal ik na een uiteenzetting van de casus en het procesverloop de belangrijkste overwegingen uit het arrest bespreken en enkele elementen daaruit nader beschouwen.

Annotaties en wetgeving | Annotatie
maart 2001
AA20010159