Shop

Misbruik van rechtspersonen

R. Harmsen

Misbruik van rechtspersonen heeft in de laatste jaren een ware stofwolk van verbazing en verontwaardiging doen opwaaien. Vooral sommige koppelbazen, die met hun malafide praktijken met BV's de overheid voor miljoenen hebben opgelicht, zorgden ervoor dat velen vraagtekens gingen plaatsen bij het functioneren van rechtspersonen. De belangen van derden worden soms opzettelijk geschonden door op bepaalde wijze gebruik te maken van rechtspersonen. De vraag hoe degene, die misbruik maakt van een rechtspersoon, aansprakelijk gesteld kan worden voor de schade, die derden daarvan ondervinden, levert verschillende antwoorden op. Hieronder zullen enkele grondslagen voor aansprakelijkheid wegen misbruik van rechtspersonen aan de orde komen.

Verdieping | Studentartikel
oktober 1984
AA19840532

Misdaad en straf; schade en (eenheids)boete

Rechterlijke matiging van een contractueel boetebeding

H. van der Zwan

Hoge Raad (HR) 27 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6638, nr. C05/268HR (Intrahof/Bart Smit) Uit het arrest Kok/Schoor wordt vaak afgeleid, dat een grote discrepantie tussen de omvang van de schade en de hoogte van een contractuele boete een zelfstandige matigingsgrond kan zijn. In dit artikel wordt betoogd dat het recente arrest van de Hoge Raad van 27 april 2007 (Intrahof Gouda B.V./Speelgoedpaleis Bart Smit B.V.) tot een andere conclusie noopt. Dit arrest corrigeert tevens de gangbare lezing van de arresten Hauer/Monda I en II, inhoudende dat vanwege een eenheidsboete automatisch gematigd mag worden. Vgl: HR 11 februari 2000, NJ 2000, 277 (Kok/Schoor); HR 13 februari 1998, NJ 1998, 725 m.nt. JH (Hauer/Monda I); ) en HR 26 oktober 2001, NJ 2002, 595 m.nt. JH (Hauer/Monda II).

Verdieping | Studentartikel
september 2007
AA20070633

Misdadig, ongrondwettig en primitief

Misdrijven tegen de menselijkheid in Oost-Timor

Misleidende reclame

P. Neleman

Ofschoon zij reeds enige tijd geleden in werking is getreden en inmiddels blijkens persberichten al tot rechterlijke uitspraken heeft geleid, verdient de medio vorig jaar tot stand gekomen wettelijke regeling omtrent  misleidende reclame nog enige aandacht in deze rubriek. Het gaat hier om de Wet van 6 juni 1980, Stb. 304, houdende regelen omtrent de privaatrechtelijke bescherming tegen misleidende reclame (kamerstukken 13 611) die met ingang van 14 juli 1980 in werking is getreden (indien men voor de wetstekst het Staatsblad raadpleegt, dient men er wel op te letten dat daarop naderhand een belangrijke rectificatie is verschenen). De parlementaire behandeling van het wetsontwerp heeft alles bij elkaar vrij geruime tijd in beslag genomen - het wetsontwerp werd al op 18 september 1975 onder verantwoordelijkheid van de toenmalige Minister van Justitie van Agt ingediend - maar wel zijn tijdens die behandeling een aantal wijzigingen aangebracht, die maakten dat het ontwerp, dat in zijn oorspronkelijke vorm velen niet ver genoeg ging, tenslotte in beide Kamers zonder stemming kon worden aangenomen. Aldus bezien kan men toch zeggen dat hier sprake is geweest van een vruchtbare samenwerking tussen Regering en Staten-Generaal. Tot slot van deze inleiding verdient voorts nog vermelding dat er tijdens de parlementaire behandeling reeds veel aandacht aan het wetsontwerp is besteed; te noemen vallen onder meer de artikelen van Verkade in NJB 1976, p. 357 e.v. en NJB 1979, p. 458 e.v. alsmede dat van Slagter in TVVS 1980, p. 37 e.v. In deze artikelen vindt men, behalve uitgebreide verwijzingen naar verdere literatuur, beschouwingen over de inhoud van het ontwerp in de verschillende stadia van behandeling.

Annotaties en wetgeving | Wetgeving
januari 1981
AA19810022

Misverstand-arrest

P. van Schilfgaarde

Hoge Raad 17 december 1976, nr. 11032, ECLI:NL:HR:1976:AC5835, NJ 1977/241 (Bunde/Erckens). Ook wel bekend als Misverstand.

Annotaties en wetgeving | Annotatie
september 1977
AA19770654

Mitigeren en compenseren in het milieurecht

R. Ligtvoet

Post thumbnail

Op 15 mei 2014 heeft het Europese Hof van Justitie de prejudiciële vragen van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beantwoord inzake de wegverbreding van de Rijksweg A2. De uitspraak van het Hof zorgt voor een milieurechtelijke landverschuiving en heeft grote gevolgen voor de praktijk en waarschijnlijk ook voor de A2. In deze bijdrage wordt de uitspraak van het Hof geanalyseerd en worden de mogelijke gevolgen voor de praktijk uiteengezet.

Verdieping | Verdiepend artikel
december 2014
AA20140918

Modernisering van het effectenverkeer? Voorstel tot een beperkte verplichte dematerialisatie van effecten

G.V. Naber

Post thumbnail Wanneer je bij het plaatselijk kantoor van een willekeurige bank vraagt om een paar aandelen Shell, KPN of Philips, word je waarschijnlijk meewarig aangekeken. De tijd dat dergelijke aandelen in fysieke vorm werden verhandeld ligt ver achter ons. Tegenwoordig vindt de handel vrijwel geheel plaats langs girale weg. Het fysieke aandeel is echter (nog) niet verdwenen. Een groot aantal giraal verhandelde aandelen wordt nog steeds in onderliggende (toonder-)stukken vertegenwoordigd. Aan het uitgeven en bewaren van deze stukken zijn kosten en veiligheidsrisico's verbonden. Ter modernisering wordt gezocht naar oplossingen om het aantal stukken te verminderen, ofwel te dematerialiseren. In dit artikel behandelt Govert Naber de vraag of de Minister met het Wijzigingsvoorstel voldoende tegemoetkomt aan de eisen die gesteld kunnen worden aan een modern systeem van giraal effectenverkeer.

Overig | Ars Aequi-prijswinnaar | Verdieping | Studentartikel
mei 2010
AA20100307

Modernisering van procesrecht in civiele zaken en bestuurszaken: de rechter gaat digitaal!

H. Donner, M.J. Jacobs, J.M.I. Vink

De digitalisering van de rechtspraak leidt tot wijzigingen in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht. In deze bijdrage worden de wijzigingen op hoofdlijnen besproken. Daarnaast komen ook de bepalingen die betrekking hebben op het elektronisch verkeer met de rechter en de gefaseerde inwerkingtreding aan bod.

Annotaties en wetgeving | Wetgeving
december 2016
AA20160971

Moest ze ’t of moest ze ’t niet?

De affaire Verdonk van december 2006 nogmaals onder de loep

L. de Jongh

Post thumbnail In dit artikel wordt ingegaan op een eerder in Ars Aequi verschenen artikel dat ging over het aftreden van Rita Verdonk in december 2006. De auteur ontleent aan het feit dat twee juristen na een grondige analyse tot een verschillende conclusie komen over de werking de conclusie dat de staatsrechtelijke vertrouwensregel gecodificeerd dient te worden. In het artikel wordt ingegaan op het handelen van een kabinet tijdens een demissionaire periode, de motie van afkeuring en het homogeniteitsbeginsel.

Opinie | Reactie/nawoord
januari 2009
AA20090037

Moet de medische tuchtrechter artsen kunnen schorsen direct na indiening van een klacht?

A.C. Hendriks

Post thumbnail De afgelopen tijd kwam aan het licht dat sommige artsen in Nederland jarenlang hun beroep op bedenkelijke wijze hebben kunnen uitvoeren, zonder dat er vanuit hun omgeving corrigerend werd opgetreden. Dit is niet alleen zorgwekkend, maar ook opmerkelijk. In de voorafgaande jaren is namelijk veel geïnvesteerd in het verbeteren van de kwaliteit en veiligheid van de gezondheidszorg. In een poging beter te kunnen optreden bij ernstige vermoedens van disfunctioneren, stelt de Minister van VWS nu voor om de medische tuchtrechter de bevoegdheid toe te kennen een arts tijdelijk te schorsen direct na indiening van een tuchtklacht. Een goed voorstel? Hieronder wordt betoogd van niet.

januari 2010
AA20100020

Moet degene ten laste van wie conservatoir beslag is gelegd bekend zijn met de aanhangigheid van de hoofdzaak?

A.W. Jongbloed

Hoge Raad 25 mei 2018, nr. 17/00847, ECLI:​NL:​HR:​2018:​773, RvdW 2018/627 (Avonwick Holdings/VI Holding)

Annotaties en wetgeving | Annotatie
september 2018
AA20180726