Verdieping

Implementation of an adapted criminal hearing for suspects with a mild intellectual disability: an analysis based on the ECHR framework

C. Yılmaz

In 2019, the Public Prosecution Service (OM) initiated a pilot programme with the objective of adapting criminal hearings for suspects with mild intellectual disabilities (MIDs) to ensure fair trials and mitigate the risk of adverse outcomes. It is of significant importance to safeguard the effective participation rights of the vulnerable suspects in order to comply with the ECHR. This study concludes that the implementation of these practices on a national scale would enhance access to justice and improve the fairness of trials for suspects with MIDs.

Verdieping | Verdiepend artikel
december 2024
AA20241013

In het moeras der rechtsvorming. De regels over de rechterswisseling in de civiele procedure

J.P. de Haan

Post thumbnail Rechterswisselingen – wanneer een andere rechter dan degene die de mondelinge behandeling heeft gedaan de beslissing neemt – worden al sinds jaar en dag onwenselijk gevonden. In dit artikel beschrijft Jurriaan de Haan de rechtsvorming die sinds de HR-uitspraak Van Dun c.s./Staat heeft plaatsgevonden op het gebied van de rechterswisseling in de civiele procedure. Ook bespreekt hij de door de Rechtspraak in dezelfde periode opgestelde regels. De regels die volgen uit de rechtspraak van de Hoge Raad en de regels van de Rechtspraak sluiten namelijk niet geheel op elkaar aan.

Verdieping | Verdiepend artikel
april 2023
AA20230257

In het strafrecht zit een spelmoment

Interview met prof.mr. J. Remmelink, Procureur-Generaal bij de Hoge Raad

O. van Klinken, M. Veldt

Jan Remmelink werd in 1922 in Zelhem, in de Gelderse Achterhoek, geboren. In 1946 behaalde hij zijn doctoraal aan de universiteit van Utrecht en begon hij in een aanvangsfunctie bij het Openbaar Ministerie te Dordrecht. Remmelink promoveerde in 1951 bij Pompe, de befaamde leider van de Utrechtse School, op het proefschrift 'Onbevoegde uitoefening van beroepen in het Nederlandse Strafrecht'. In 1956 volgde zijn benoeming tot substituut-OvJ, ook in Dordrecht.In 1963 werd Remmelink benoemd tot hoogleraar Straf- en Strafprocesrecht aan de RU Groningen. Hij volgde daar Röling op, die zich geheel aan het volkenrecht en de polemologie ging wijden. In 1968 aanvaardde hij de positie van Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad. De liefde voor het professoraat bleef echter en in 1970 volgde hij Gerard Mulder op als hoogleraar Strafrecht aan de VU. In 1988 volgde zijn benoeming tot Procureur-Generaal bij de Hoge Raad. Het jaar daarop wordt hij aan de VU emeritus. Zijn afscheidscollege was gewijd aan 'Tijd en plaats in het strafrecht'.Remmelink heeft zich in de loop der jaren met vele onderwerpen beziggehouden. Zijn voorkeur gaat echter duidelijk uit naar het materiële strafrecht. Dit blijkt onder andere uit zijn bewerkingen van Noyon/Langemeijer alsmede Hazewinkel-Suringa. Voorts hadden ook verkeersrecht, uitleveringsrecht en oorlogsstrafrecht (hij concludeerde in de Menten-zaak) zijn belangstelling. Nadat hij al eerder in een preadvies over gewetensbezwaren voor de NJV had doen blijken van zijn Lutherse geloofsovertuiging, schreef hij in 1989 voor de Calvinistische juristenvereniging een studie over Luther en het strafrecht.Remmelink, die voorts hoofdredacteur is van de Nederlandse Jurisprudentie en lid van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen, was enkele malen voorzitter van een commissie die de regering moest adviseren, met name over de positie van de bedreigde getuige en over de medische praktijk inzake de euthanasie. In 1991 hield hij de zogenaamde David de Wied-lecture gewijd aan strafrechtelijke aspecten van begin en einde van het menselijk leven. Dit jaar bereikt Remmelink de pensioengerechtigde leeftijd van 70 jaar. Op de dag waarop het spraakmakende `Borgers-arrest´ werd gewezen spraken wij met hem over zijn functie, het strafrecht en het functioneren van ons justitiële apparaat.

Verdieping | Interview
maart 1992
AA19920144

Index on Censorship en het verhaal van de nachtegaal

C. Jansen

In 1986 werd in The Times voor het eerst een beroep gedaan op de wereldopinie om zich uit te spreken tegen de schandelijke processen tegen schrijvers in de Sovjet-Unie. Naar aanleiding hiervan werd in 1972 in Londen het tijdschrift Index en Censorship opgericht. Het tijdschrift bericht over de schending van de vrijheid van meningsuiting overal ter wereld. Deze waakhond bleek, ook in 1990, meer dan noodzakelijk te zijn.

Verdieping | Verdiepend artikel
april 1990
AA19900219

Individuele Aansprakelijkheid voor Misdrijven begaan tijdens een Niet-Internationaal Gewapend Conflict: Het Statuut van Den Haag

F. Comiche Andujar

Het Statuut van het Tribunaal van Den Haag bepaalt dat het Tribunaal individuen kan vervolgen voor het begaan van oorlogsmisdrijven in het voormalige Joegoslavië. Het interne karakter van het conflict roept echter vragen op ten aanzien van het toepasselijke internationale recht. Het gevolg zou kunnen zijn dat sommige oorlogsmisdadigers niet vervolgd kunnen worden. In dit artikel wordt bekeken of het Statuut dit probleem voldoende ondervangt.

Overig | Ars Aequi-prijswinnaar | Verdieping | Studentartikel
maart 1995
AA19950170

Individuele zaken, algemene praktijk van schendingen en de Straatsburgse geldingsdrang

In dit artikel wil de auteur belichten dat er bij een systematische schending van het EVRM een onduidelijkheid is met betrekking tot de taken van het Hof voor de Rechten van de Mens. De vraag is of het Hof elke schending apart moet behandelen of dat er een collectieve behandeling kan zijn, volgens auteur wordt hier tamelijk willekeurig gebruik van gemaakt.

Verdieping | Verdiepend artikel
februari 2000
AA20000097

Infiltratie of informatie?

M. Bosch

Volkert van der G. doet er sinds 6 mei het zwijgen toe. Dat is zijn goed recht. Hebben justitie en politie dan helemaal niets om er achter te komen wat hem heeft bewogen? Sinds 1 februari 2000 kent het Wetboek van strafvordering een aantal undercovermethoden. In deze bijdrage komen twee van deze methoden aan bod: het inzetten van een infiltrant en het inzetten van een informant. Deze kan ongemerkt de verdachte benaderen en hem uithoren. Welke van deze twee methoden komt bij uitstek in aanmerking en past het justitie en politie eigenlijk wel op dergelijke misleidende manieren aan hun informatie te komen?

Verdieping | Verdiepend artikel
september 2002
AA20020604

Informatie als rechtvaardigende factor voor rechtsvorming: de amicus curiae

M. Köhne

De Hoge Raad als rechtsvormende instantie, dit artikel bespreekt de informatie voorziening die de Hoge Raad hiervoor gebruikt en behandelt ook de gang van zaken in andere landen. Onder andere komt de zogenaamde 'Amicus Curiae'oftwel de vriend van het gerecht aan bod.

Overig | Rode draad | Raad en daad | Verdieping | Verdiepend artikel
april 2006
AA20060252

Inkomensbescherming en bestaanszekerheid. Het verschil tussen privaat- en publiekrecht

E.L. Hoogendoorn

Overig | Ars Aequi-prijswinnaar | Verdieping | Studentartikel
september 2000
AA20000612

Inleiding Rode Draad ‘Over de Grens’

Ars Aequi Libri

Inleiding over de nieuwe rubriek Rode Draad waarbij gekeken wordt naar andere rechtsstelsels en er ingegaan wordt op een specifiek onderdeel hiervan.

Verdieping | Verdiepend artikel
september 2006
AA20060572

Innovatie in het strafrecht: effectieve aanpak van cybercriminaliteit vergt brede bestrijding en verdient betere regulering

J. Bonnes, O. Divendal

Dit artikel bespreekt voorwaarden voor de inzet van strafvorderlijke bevoegdheden voor brede bestrijding van cybercriminaliteit, en hoe politie, Openbaar Ministerie en rechterlijke macht zich daartoe verhouden. Brede bestrijding is meer dan opsporen en vervolgen. Het omvat ook tegenhouden van daders, beperken van schade en beschermen van slachtoffers. Het verkrijgen van de hiertoe benodigde gegevens is onduidelijk geregeld. Die onduidelijkheid wordt vergroot doordat de rol van de rechter-commissaris in ontwikkeling is. Praktijkvoorbeelden illustreren de problematiek. Er wordt een concrete wetswijziging voorgesteld.

Verdieping | Verdiepend artikel
april 2024
AA20240320

Instructiebevoegdheid in concernverhoudingen

H.J.C. van Geel

Een van de centrale thema's binnen het concernrecht vormt de instructiebevoegdheid van de moedervennootschap ten opzichte van de dochtervennootschap. Is zo'n instructie geoorloofd en zo ja, wat zijn de voorwaarden en waar liggen de grenzen? In dit artikel wordt geprobeerd een antwoord op deze vragen te geven. Vervolgens wordt ingegaan op een tweetal terreinen waarop de instructiebevoegdheid een rol speelt, te weten de concernfinanciering en de misbruikwetgeving. Aansluitend wordt de behoefte aan een wettelijk vastgelegd instructierecht besproken.

Verdieping | Studentartikel
mei 1990
AA19900267