Verdieping

Internetcriminaliteit: kinderpornografie in meervoudig perspectief

R. Kaspersen, J. Kerstens, R. Leukfeldt, A.R. Lodder, W. Stol

Deze bijdrage plaatst de verspreiding van kinderpornografie via internet, in een meervoudig perspectief. Achtereenvolgens komen aan bod gedragsregulering in cyberspace (de onderliggende sociologische dimensie); een overzicht van de ernstigste criminaliteitsvormen in cyberspace, de plaats die kinderporno daarbij inneemt en hoe kinderpornoverspreiding plaatsvindt (criminologische dimensie); welke partijen een bijdrage kunnen leveren aan kinderpornobestrijding en wat hun mogelijkheden zijn, met bijzondere aandacht voor problemen in de opsporing (de integrale veiligheidskundige dimensie). Op verschillende plaatsen is daarbij aandacht voor wet- en regelgeving (de juridische dimensie).

Bijzonder nummer | Internet & recht | Verdieping | Studentartikel
juli 2008
AA20080531

Interregionale beslissingsharmonie of harmonie methet internationaal privaatrecht?

J.P. de Haan

Sinds het eind van de jaren tachtig zijn in de rechtsliteratuur een aantal boeiende publicaties over het interregionaal privaatrecht verschenen. Vooral het Nederlandse interregionaal echtscheidingsrecht heeft de pennen in beweging gebracht. Dit komt doordat de Nederlandse rechter ten aanzien van veel interregionale echtscheidingen, als waren het internationale echtscheidingen, een grote rechtsmacht heeft aangenomen en veelal Nederlands recht toepasselijk heeft geacht. De centrale vraag in het navolgende artikel is of voor interregionale echtscheidingen de internationaalprivaatrechtelijke regeling volstaat, dan-wel een specifieke regeling van interregionaal echtscheidingsrecht geboden is. Deze kwestie is om twee redenen actueel. Ten eerste heeft de Hoge Raad recentelijk bepaald dat een Nederlands echtscheidings-vonnis in ieder koninkrijksdeel dezelfde rechtskracht heeft; ten tweede is betreffende het interregionaal conflictenrecht een voorontwerp van Rijkswet vervaardigd met als titel Proeve van een Koninkrijkswet Interregionaal Privaatrecht.

Verdieping | Studentartikel
november 1994
AA19940716

Interview met mr. G. Spong, advocaat te Den Haag

B. Bastein, C. Hupkes

Mr. G. Spong studeerde rechten in Amsterdam. Na zijn afstuderen in 1972, werd hij op 7 februari 1973 in Paramaribo beëdigd als advocaat. In 1976 kwam hij terug naar Nederland waar hij in Den Haag beëdigd werd. In 1977 deed hij zijn eerste cassatiezaak. In dit interview komt onder meer aan de orde hoe Spong aankijkt tegen aanvallen op de rechterlijke macht. Daarnaast vertelt hij ook hoe zijn werk als advocaat zijn werk als rechter beïnvloedt en vice versa? Ook leerstukken als euthanasie, alternatieve straffen, anonieme getuigenverklaringen en veiligheidsfouilleringen passeren de revue.

Verdieping | Interview
december 1988
AA19880834

Interview met prof.mr. A.V.M. Struycken en mr. J.G.A. Struycken

J.A.K. van den Berg, J.B. Spath

In dit dubbelinterview komen verschillende facetten van de jurist, studie, beroepsbeoefening en Ars Aequi aan bod.

Verdieping | Interview
oktober 2001
AA20010741

IPR-aspecten van Europese rechtspersonen

L. Kaemingk

In dit artikel wordt ingegaan op de aspecten van internationaal privaatrecht die samenhangen met Europese rechtspersonen zoals de SE en de Europese vereniging.

Verdieping | Studentartikel
juli 1993
AA19930521

Is de (rechts)positie van de minderjarige in de nieuwe Wet op de jeugdzorg daadwerkelijk verbeterd?

P. Ros, D. Sol

Op 1 januari 2005 is de nieuwe Wet op de Jeugdzorg in werking getreden. Daarmee is de rechtspositie van de minderjarige weliswaar versterkt, maar er blijft reden voor kritiek. Alle jeugdzorg achter n loket lijkt efficint, maar onder omstandigheden kan het recht op jeugdzorg een relatief recht blijken te zijn. Pure winst is dat probleemjongeren door een aangekondigde wetswijziging niet meer in de strafrechtelijke justitile jeugdinrichtingen terecht komen. De nieuwe wet zal echter door het bestuursrechtelijke karakter van de indicatiestellingen en de hoge (administratieve) werkdruk met een gebrek aan een uniforme werkwijze, ernstige incidenten niet steeds kunnen voorkomen. Bovendien lijkt het hoog tijd dat de medewerkers van jeugdzorg aansluiting vinden bij de wet BIG. De competentie van de kinderrechter is weliswaar een goede keuze, maar hij dient als bestuursrechter, op grond van de materile normen in de nieuwe wet, voller dan slechts marginaal te toetsen. Tenslotte dreigt er door een wetswijziging een dubbele rechtsingang te ontstaan bij omgangsaangelegenheden na echtscheiding.

Verdieping | Studentartikel
april 2006
AA20060239

Is de vervolgingsverjaring verjaard?

G.J. van de Lagemaat

Post thumbnail De verjaring van de vervolgingsmogelijkheid is in Nederland aan zijn tweede wijziging in korte tijd toe, zo meent de wetgever. De verjaringsregeling wordt in rap tempo uitgekleed. Hoe houdbaar is zij eigenlijk nog?

Verdieping | Verdiepend artikel
mei 2012
AA20120339

Is er plaats voor hbo-juristen in de advocatuur?

R.C.H. van Otterlo

De redactie van Ars Aequi heeft de auteur gevraagd een artikel te schrijven over de toegang tot de togaberoepen voor hbo-juristen. Aan dat verzoek heeft de auteur graag willen voldoen. De bijdrage die u hier aantreft zal in het bijzonder gericht zijn op de advocatuur.

Verdieping | Studentartikel
september 2008
AA20080659

Is het recht van voorpoot accessoir?

J.E. Jansen

Post thumbnail

Het middeleeuwse, feodale recht van voorpoot is nooit afgeschaft en overleefde daarom achtereenvolgende codificaties van het privaatrecht. Het karakter van dit oude zakelijk recht is onduidelijk. Zijn pootrechten accessoir zoals erfdienstbaarheden, of zijn het overdraagbare rechten? In het laatste geval zou de overdracht notariële assistentie vergen, omdat pootrechten op grond van artikel 150 Overgangswet registergoederen zijn.

Verdieping | Verdiepend artikel
juni 2018
AA20180468

Israëlische verhoormethoden: te beoordelen door rechter of door wetgever?

W. Smit

De uitspraak van het Israëlische Hooggerechtshof van 6 september 1999 ‘Interrogation Practices of theGeneral Security Service’ handelt over de rechtmatigheid van de door de General Security Service verrichte verhoren van verdachten van terroristische aanslagen. Bij het beoordelen van de rechtmatigheidvan de door de General Security Service aangewende verhoormethoden ontstaat er een dilemma. Er zijnnamelijk twee conflicterende belangen waartussen een evenwicht moet worden gevonden. Enerzijds is erhet belang van het veiligstellen van de menselijke integriteit van de verdachten. Anderzijds is er de behoefte in een democratische staat, zoals Israël, criminaliteit in het algemeen en terroristische aanslagenin het bijzonder te bestrijden. Daarbij is het ondervragen van verdachten onontbeerlijk. Echter, hoe ver mag een ondervrager gaan tijdens een verhoor? Door deze twee conflicterende belangen is deze uitspraak van het Israëlische Hooggerechtshof zeer interessant. De genoemde belangen roepen namelijk niet alleen juridische maar ook maatschappelijke, ethische en politieke vragen op. Juridisch gezien acht het Hof de door de General Security Service toegepaste verhoormethoden onrechtmatig. Maar is daarmee de kous af?

Verdieping | Verdiepend artikel
april 2001
AA20010242

Italiaanse intriges: de overname van Antonveneta

M.J. Kroeze, H.M. Vletter-van Dort

In dit artikel wordt aan de hand van de overname van de Italiaanse bank Antonveneta door de Nederlandse bank ABN Amro behandeld hoe een overname van een andere vennootschap plaats kan vinden. Het gaat dan om het overnemen van de activa- en passiva (vermogensbestanddelen). Een andere manier is om een fusie aan te gaan. Tenslotte bestaat er de mogelijkheid van de aandelen fusie.

Verdieping | Verdiepend artikel
mei 2006
AA20060334

Ius Commune: de bijdrage van het Europees recht in negen voorbeelden

S. Prechal

Post thumbnail In deze bijdrage wordt ingegaan op de harmonisatie die vanuit het Europees recht uitgaat op de publieke rechtsstelsels van de verschillende lidstaten. Er wordt ingegaan op wetgeving, algemene rechtsbeginselen en vrijwillige harmonisatie door lidstaten zelf.

Verdieping | Studentartikel
juni 2008
AA20080413