L.E. Holtz
Hugo de Groot heeft gepoogd in de volkerengemeenschap een onderscheiding ingang te doen vinden tussen rechtvaardige en onrechtvaardige oorlogen. Vóór hem meende men, dat oorlogen altijd geoorloofd waren: zij waren een uiting van de soevereiniteit van de vorst. Grotius heeft in slechts twee gevallen een oorlog rechtvaardig willen noemen, namelijk uit zelfverdediging en ter handhaving van een recht, maar, gezien de toenmalige opbouw van de statenmaatschappij, zag hij geen andere mogelijkheid dan de par tijen zelf te laten uitmaken wanneer een dusdanig geval zich voordeed, waardoor in de praktijk van het systeem niet veel terecht kwam. Langzamerhand werd zijn onderscheiding ook in theorie opgegeven, en in 1880 kon W.E. Hall in een veel aangehaalde passage dan ook schrijven: ‘International law has no alternative but to accept war, independently of the justice of its origin, as a relation which the parties to it may set up, if they choose, and to busy itself only in regulating the effects of the relation’. Hij voegde eraan toe: ‘Hence both parties to every war a re regarded as being in an identical legal position, and consequently as being possessed of equal rights.’
Bijzonder nummer
juli 1968
AA19680268