Burgerlijk recht

De nieuwe kantongerechtsprocedure

Kanttekeningen bij de wet van 21 januari 1991, Staatsblad 50

A. van den Hende-de Vries, R.J.G. Peters

Op 29 januari 1991 heeft de Eerste Kamer goedgekeurd (wetsvoorstel 19 976), inhoudende een algehele herziening van de civiele kantongerechtsprocedure. Met de wet van 31 januari 1991 wordt beoogd te komen tot harmonisering en vereenvoudiging van de procedure. Ten aanzien van deze centrale doelstelling moet men constateren dat de regering in haar opzet is geslaagd. Toch vallen er bij de nieuwe wet enkele kritische kanttekeningen te plaatsen. Na een historisch overzicht van het wetsvoorstel zal in dit artikel worden ingegaan op de 'consumenten-vriendelijkheid' van de wet, en dan met name op de regeling van de rechtsingang (artikel 104 NRv). Vervolgens zal de regeling van de voorlopige voorzieningen (in haar algemeenheid) aan een nadere beschouwing onderworpen worden, waarbij de vraag centraal slaat in hoeverre de regeling van artikel 116 NRv een verbetering van het huidige artikel 100 Rv inhoudt, en daardoor als een waardig alternatief voor het kort geding gezien kan worden. Tot slot zal kort worden ingegaan op het verband tussen dit wetsvoorstel en de voorgenomen herziening van de rechterlijke organisatie.

Verdieping | Studentartikel
mei 1991
AA19910380

De nieuwe Nederlandse corporate governance code 2008

W.B. Kuijpers, M. Meinema

Post thumbnail Op 10 december 2008 heeft de Monitoring Commissie Corporate Governance Code (hierna: de Commissie Frijns) de aangepaste Nederlandse corporate governance code gepubliceerd. De door de Commissie Tabaksblat in 2003 vastgestelde Nederlandse corporate governance code is daarmee aan de actualiteit aangepast. De nieuwe Code moet nog door het kabinet wettelijk worden verankerd, zodat Nederlandse beursvennootschappen verplicht worden de principes en best practice-bepalingen uit de aangepaste Code toe te passen of in hun jaarverslag uit te leggen waarom zij deze niet toepassen (‘pas toe of leg uit’-beginsel). In dit artikel wordt ingegaan op de ontstaansgeschiedenis van de Code, de verhouding tussen de Code en de wetgeving en de belangrijkste inhoudelijke wijzigingen ten opzichte van de Code uit 2003.

Verdieping | Studentartikel
maart 2009
AA20090178

De nieuwe structuurregeling

Deel I: 2001-2003

E.D.G. Kiersch

Op 1 oktober 2004 trad in werking de Wet tot wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de aanpassing van de structuurregeling. De wet brengt wijzigingen aan in de voorschriften voor inrichting van de zogenoemde grote naamloze of besloten vennootschap, beter bekend als de structuurvennootschap. In de wet zijn voorts nieuwe rechten opgenomen voor aandeelhouders en kapitaalverschaffers van NV’s en BV’s. Ook bevat de wet de rechtsbasis voor verankering van een gedragscode bij algemene maatregel van bestuur. Dit artikel behandelt de voorgeschiedenis van het wetsvoorstel, waaronder het advies van de SER en de gang van zaken in de periode 2001- 2003.

Annotaties en wetgeving | Wetgeving
juni 2005
AA20050505

De nieuwe structuurregeling

Deel II: 2003-2004

E.D.G. Kiersch

Op 1 oktober 2004 trad in werking de Wet tot wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de aanpassing van de structuurregeling. De wet brengt wijzigingen aan in de voorschriften voor inrichting van de zogenoemde grote naamloze of besloten vennootschap, beter bekend als de structuurvennootschap. In de wet zijn voorts nieuwe rechten opgenomen voor aandeelhouders en kapitaalverschaffers van NV’s en BV’s. Ook bevat de wet de rechtsbasis voor verankering van een gedragscode bij algemene maatregel van bestuur. Dit artikel behandelt de voorgeschiedenis van het wetsvoorstel, waaronder het advies van de SER en de gang van zaken in de periode 2001- 2003.

Annotaties en wetgeving | Wetgeving
september 2005
AA20050751

De nieuwe Wet wijziging curatele beschermingsbewind en mentorschap

M. Meinema

In deze bijdrage wordt een overzicht gegeven van de voornaamste wijzigingen in de regelingen voor curatele, beschermingsbewind en mentorschap als gevolg van de Wet van 16 oktober 2013 tot wijziging van enige bepalingen in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek inzake curatele, beschermingsbewind en mentorschap.

Annotaties en wetgeving | Wetgeving
november 2014
AA20140853

De nieuwe wettelijke maatregelen in verband met het tegengaan van schijnhuwelijken

D. van Iterson

In dit artikel wordt de wijziging van boek 1 BW besproken waarmee schijnhuwelijken dienen te worden tegengegaan. Allereerst komen de achtergronden en de totstandkoming van de wet aan de orde. Vervolgens wordt de grondrechtenproblematiek aan de orde. Daarna wordt de inhoud van de wet besproken. Aan bod komen het begrip 'schijnhuwelijk', de bevoegdheden, beroepsmogelijkheden en hulpinstrumenten om het fenomeen te onderzoeken. Er wordt afgesloten met een vooruitblik.

Annotaties en wetgeving | Wetgeving
februari 1995
AA19950117

De NS goed op weg?

A. van Vught

Redactioneel artikel waarbij er in wordt gegaan op de nieuwe voorwaarden om te reizen met de trein (NS). Deze regels zijn klantonvriendelijk volgens de redacteur maar zijn ook weer niet dusdanig onredelijk bezwarend in de zin van artt. 6:236 en 6:237 BW dat zij buiten toepassing moeten blijven.

Opinie | Redactioneel
november 1995
AA19950839

De omkeringsregel(s)

D. Kaandorp

Voor het toewijzen van een vordering tot schadevergoeding dient causaal verband te bestaan tussen de onrechtmatige daad of wanprestatie en de schade. In sommige gevallen is het voor de gedaagde ook moeilijk te bewijzen dat causaal verband ontbreekt. Het winnen of verliezen van de zaak hangt dan af van de vraag op wie de bewijslast rust. In dit artikel wordt ingegaan op de door de Hoge Raad ontwikkelde regel(s) op basis waarvan de bewijslast in plaats van op de eiser, op de gedaagde komt te rust.

Verdieping | Studentartikel
november 2001
AA20010836

De omvang van de rechtsstrijd in het hoger beroep in civiele zaken

F.J.H. Hovens

Binnen het burgerlijk procesrecht neemt het procesrecht in hoger beroep een bijzondere plaats in. Waar het deel uitmaakt van het algemene procesrecht, zijn de algemene regels en beginselen van toepassing. In de praktijk is daarnaast een veelvoud van bijzondere regels ontwikkeld, die specifiek zien op de appelaspecten. Met name het zogeheten grievenstelsel en de devolutieve werking van het appel springen daarbij in het oog en zorgen in de praktijk soms voor problemen. Die bijzondere aspecten staan in deze bijdrage centraal. Daarnaast wordt enige aandacht besteed aan het hoger beroep in het algemeen en aan mogelijke alternatieven voor ons Nederlandse stelsel van het civiele appelrecht.

Overig | Rode draad | Rechstmiddelen | Verdieping | Studentartikel
februari 2001
AA20010074

De omvang van een memorie

A.C. van Schaick

Post thumbnail Door een aanpassing van de civielrechtelijke procesreglementen van de gerechtshoven is de lengte van een processtuk dat in een appelprocedure wordt ingediend, sinds 1 april 2021 niet meer de exclusieve zaak van de advocaat. Een aantal advocaten heeft in kort geding gevorderd dat de maatregel wordt ingetrokken dan wel opgeschort. Maar het kort geding dient het belang van de rechterlijke macht, de advocatuur en de rechtzoekende niet.

Opinie | Opiniërend artikel
september 2021
AA20210804

De onbepaaldheid van het bepaaldheidsvereiste: ING v de Curator c.s. en Lira v Ziggo c.s. in perspectief geplaatst

Th.C.J.A. van Engelen

Hoge Raad 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:590, IEPT20200403, NJ 2020/152 (ING v de curator c.s.) (raadsheren: C.A. Streefkerk, M.V. Polak, T.H. Tanja-van den Broek, M.J. Kroeze en C.H. Sieburgh; conclusie A-G E.B. Rank-Berenschot) en Hoge Raad 2 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1548 (Lira v Ziggo) (raadsheren: C.A. Streefkerk, G. Snijders, M.J. Kroeze, C.H. Sieburgh en H.M. Wattendorff; conclusie A-G B.J. Drijber)

Annotaties en wetgeving | Annotatie
maart 2021
AA20210284

De onbevoegde officier van justitie (De Staat & Van Hilten-M.)

S.C.J.J. Kortmann

Hoge Raad 11 oktober 1991, nr. 14302, ECLI:NL:HR:1991:ZC0360, RvdW 1991, 218, AB 1992, 62, nt. FHvdB (De Staat & Van Hilten/M.) Arrest van de Hoge Raad en bijbehorende noot over de aansprakelijkheid van de Staat voor het onrechtmatig handelen van een officier van justitie én diens persoonlijke aansprakelijkheid. De rechtbank overwoog, dat nu de officier van justitie een beperking heeft bevolen die het vrij verkeer tussen verdachte en raadsman belemmert, welke beperking alleen door de R-C bevolen kan worden, de officier van justitie naast de Staat persoonlijk aansprakelijk is. De Hoge Raad oordeelt dat het handelen van de officier van justitie als een onrechtmatige daad van de Staat heeft te gelden en daarmee laat zij het oordeel van de rechtbank in stand. Wat betreft het oordeel van de rechtbank dat de officier van justitie persoonlijk aansprakelijk is voor het overschrijden van diens bevoegdheden, laat de Hoge Raad het oordeel van de rechtbank niet in stand. De Hoge Raad overweegt dat voor persoonlijke aansprakelijkheid van een officier van justitie slechts plaats ia als de officier een persoonlijk verwijt van het onrechtmatig handelen kan worden gemaakt. In het onderhavige geval is dat volgens de Hoge Raad niet het geval nu de stand van de literatuur en jurisprudentie ten aanzien van de overschreden bevoegdheid niet duidelijk is uitgekristalliseerd. In de noot wordt dieper ingegaan op de civielrechtelijke aspecten van de uitspraak zoals de aansprakelijkheid voor fouten van werknemers.

Annotaties en wetgeving | Annotatie
december 1992
AA19920792