W.J. Hiemstra
Wanneer men tracht een overzicht te krijgen van de positie van de non-combattant in een gewapend conflict, is het opvallend hoe groot in deze materie het verschil is tussen theorie en praktijk. In theorie lijkt de zaak heel eenvoudig. Daar is de formulering - gegeven in de Declaratie van St. Petersburg van 1868 - die luidt: ‘The only legitimate object which states should endeavour to accomplish during war is to weaken the military forces of the enemy’, waarbij het in het kader van dit artikel voornamelijk gaat om de term 'military forces', hetgeen een verbod inhoudt de niet bij het conflict betrokken burgerij leed aan te doen. Het in deze declaratie gestelde verbod is vervolgens uitgewerkt in een aantal Conventies en Regulaties, waarbij de Haagse Vredesconferenties een belangrijke plaats innemen. Dat het nog steeds opgeld doet moge trouwens blijken uit een eerst verleden jaar door het Internationale Rode Kruis aan de aangesloten landen gezonden rondschrijven, waarin er op wordt gewezen, dat het onderscheid combattant-non-combattant nog altijd het principe is, waarop het oorlogsrecht stoelt.
In de praktijk ziet het er echter heel anders uit. Het is zelfs zo ver gekomen, dat Thomas Schelling, een der voornaamste adviseurs van het Pentagon, in zijn boek Arms and influence komt tot de opmerking: ‘In the present era non-combattants appear to be not only deliberate targets but primary targets’. Er zijn, geloof ik, meerdere redenen te geven voor de grote discrepantie tussen het theoretische oorlogsrecht en de praktijk; ik zal trachten ze te noemen, om dan tenslotte te komen op het Vietnamese vraagstuk.
Bijzonder nummer
juli 1968
AA19680296