Burgerlijk recht

O2- Hutchison

Ch.E.F.M. Gielen

Hof van Justitie Europese Gemeenschappen (HvJ EG) 12 juni 2008, zaak C-533/06, ECLI:EU:C:2008:339 (O2/Hutchison) Arrest en bijbehorende noot van het HvJ EG waarin het volgende naar voren komt: Uitleg van artikel 5 lid 1 en 2 Merkenrichtlijn 89/104/EEG en van artikel 3bis lid 1 Richtlijn Vergelijkende Reclame 84/450 EEG. De houder van een ingeschreven merk is niet gerechtigd te verbieden dat een derde in vergelijkende reclame die voldoet aan alle in artikel 3bis lid 1 genoemde voorwaarden voor geoorloofdheid, gebruikmaakt van een teken dat gelijk is aan of overeenstemt met zijn merk. Indien is voldaan aan alle in artikel 5 lid 1 sub b van de Merkenrichtlijn gestelde voorwaarden om het gebruik van een teken dat gelijk is aan of overeenstemt met een ingeschreven merk, te verbieden, kan de vergelijkende reclame waarin gebruik wordt gemaakt van genoemd teken, echter onmogelijk voldoen aan de in artikel 3bis, lid 1 sub d van de Richtlijn Vergelijkende reclame genoemde voorwaarde voor geoorloofdheid. De houder van een ingeschreven merk is niet gerechtigd te doen verbieden dat een derde in vergelijkende reclame gebruikmaakt van een met dit merk overeenstemmend teken voor dezelfde of soortgelijke waren of diensten als die waarvoor het merk is ingeschreven, indien dit gebruik niet leidt tot verwarringsgevaar bij het publiek, en dit ongeacht of de vergelijkende reclame voldoet aan alle in artikel 3bis van de Richtlijn Vergelijkende Reclame genoemde voorwaarden voor geoorloofdheid.

Annotaties en wetgeving | Annotatie
november 2008
AA20080812

OAR-ABN

S.C.J.J. Kortmann

Hoge Raad 18 december 1987, nr. 13005, NJ 1988, 340, ECLI:NL:HR:1987:AD0106 (OAR/ABN) Voorrecht van de verkoper van onbetaalde roerende goederen en eigendomsoverdracht tot zekerheid van deze goederen die na de faillietverklaring van de koper in de feitelijke macht van de zekerheidseigenaar zijn overgegaan. De Hoge Raad komt tot een oordeel dat voortbouwt op het Berg/de Bary-arrest. In de noot wordt hier dan ook bij aangehaakt.

Annotaties en wetgeving | Annotatie | Overig | Rode draad | Financiële markten en instellingen
juli 1988
AA19880469

OGEM-enquête (I) en (II)

M.J.G.C. Raaijmakers

Hoge Raad 10 januari 1990, nr. 20, ECLI:NL:HR:1990:AC1233, RvdW 1990, 22/23, NJ 1990, 465/466 m.n. Maeijer; TVVS 1990, pp. 127-132 noot Th.S. IJsselmuiden (Ogem-enquête (I) en (II)) In deze noot wordt ingegaan op de gevolgen van het failliet gaan van Ogem waarbij een uitspraak van de Hoge Raad aan de orde komt en er strijd is over de werking en strekking van de regeling van het enquêterecht. De Hoge Raad doet hierover een belangrijke uitspraak en oordeelt dat wanneer er sprake is van wanbeleid van de rechtspersoon dit geen oordeel inhoudt over de persoonlijke verwijtbaarheid van de bestuurders. Op een onderdeel wordt de beschikking van het hof o.g.v. motiveringsklachten gecasseerd. In de uitvoerige noot wordt ingegaan op de wetsgeschiedenis van de enquêteregeling. Daarna wordt de enquêteprocedure besproken waarbij de tweefasenstructuur wordt onderscheiden. Daarna komt de ontvankelijkheid van de oud-bestuurders van de failliete NV in de cassatieprocedure behandeld. Raaijmakers behandelt vervolgens het onderscheid van wanbeleid van de rechtspersoon en de aansprakelijkheid van de bestuurders. Deze loopt niet zonder meer parallel. Als laatste komt het openbaar belang bij faillissement aan de orde en wordt er afgesloten met aanbevolen literatuur. In de tweede annotatie komt met name het begrip 'wanbeleid van de rechtspersoon' diepgaand aan de orde waarbij met name van belang is dat een enquêteprocedure ook gestart kan worden bij faillissement van de vennootschap waarbij er dan geen voorzieningen worden getroffen. Daarbij worden in de opvolgende paragrafen behandelt: de wijze waarop de HR in het concrete arrest het wanbeleid beoordeelt en de verschillende voorbeelden waaruit wanbeleid kan bestaan, bijvoorbeeld in strijd handelen met wettelijke voorschriften, statuten of beleidsvoorschriften binnen de vennootschap.

Annotaties en wetgeving | Annotatie
november 1990
AA19900858

Oh jee, ik moet een miljonair?!

N. Doeswijk, C. Mak

In dit redactionele artikel wordt ingegaan op de contractuele verhouding rondom het tv-programma 'Ja, ik wil... een miljonair' en de afdwingbaarheid van het huwelijk door de producenten van dit programma.

Opinie | Redactioneel
januari 2001
AA20010005

OKé

M.J.G.C. Raaijmakers

Hoge Raad 17 december 1993, nr. 14819, ECLI:NL:HR:1993:ZC1182, RvdW 1994, 3 (Van den Broeke/Van der Linden). Ook bekend als Oké. In dit arrest oordeelt de Hoge Raad dat er bij een vof sprake is van een gebonden gemeenschap. Deze gemeenschap staat er aan in de weg dat één van de twee vennoten een beroep doet op verrekening met de andere vennoot door middel van het vermogen van de vof. In de noot wordt dieper op deze uitspraak ingegaan waarbij ook de gemeenschap uit boek 3 BW wordt betrokken.

Annotaties en wetgeving | Annotatie
juli 1994
AA19940519

Olie op het vuur

S.D. Lindenbergh

Hoge Raad 9 november 2007, nr. C05/305HR, ECLI:NL:HR:2007:BA7557, RvdW 2007, 960 (Groot Kievitsdal) In deze noot bij dit arrest wordt de risicoaansprakelijkheid van een werkgever besproken indien een ondergeschikte werknemer een toerekenbare onrechtmatige daad pleegt jegens een derde. Voor de gelaedeerde komt er door de regeling van art. 6:170 BW een extra loket bij om zijn schade te claimen voor zover de werkgever voldoende solvabel is om de schade te dragen. In deze zaak speelt een belangrijke rol of een werkgever aansprakelijk is voor schade die is veroorzaakt tijdens een bedrijfsuitje.

Annotaties en wetgeving | Annotatie
mei 2008
AA20080358

UCERF 7 - Actuele ontwikkelingen in het familierecht

Omgangsrecht voor niet-ouders in het Belgische recht

F. Swennen

Op welk omgangsrecht (in België: recht op persoonlijk contact) met een kind kunnen niet-ouders zich beroepen ingeval een minnelijke regeling niet kan worden bereikt.

Omgangsvormen en het burgerlijk recht

P. Memelink

Post thumbnail In dit artikel wordt ingegaan in hoeverre fatsoensnormen en omgangsvormen al dan niet afgedwongen kunnen worden. De auteur komt de conclusie dat dit alleen mogelijk daar waar de norm een rechtsplicht inhoudt.

Opinie | Amuse
november 2008
AA20080778

UCERF 10 - Actuele ontwikkelingen in het familierecht

Omissie in jeugdbeschermingswet dwingt rechter tot creativiteit

J. Huijer, I. Weijers

Wat is de rol van de staat op een terrein waar families op hun kwetsbaarst zijn? Hoe verhoudt zich het diepe ingrijpen van de staat tot de opstelling en instemming van ouders met dit ingrijpen? Ido Weijers en Joost Huijer plaatsen kritische kanttekeningen bij recente wijzigingen in het jeugdbeschermingsrecht.

Omkering bewijslast op grond van redelijkheid en billijkheid.

G.R. Rutgers

Hoge Raad 31 oktober 1997, nr. 16373, ECLI:NL:HR:1997:ZC2476, RvdW 1997, 213C Noot bij arrest over de omkering van de bewijslast op grond van de redelijkheid en billijkheid waarbij er volgens de Hoge Raad geen zwaardere motiveringsplicht geldt. Bewijsnood is een onvoldoende grond voor omkering van de bewijslast.

Annotaties en wetgeving | Annotatie
april 1998
AA19980301

Omkering van bewijslast in het aansprakelijkheidsrecht. De ‘omkeringsregel’: regel of uitzondering, spookbeeld of vertrouwd gereedschap?

J.M. van Dunné

Post thumbnail De ‘omkeringsregel’, door de Hoge Raad aan het begin van deze eeuw aanvaard en in een reeks arresten nader uitgewerkt, is nog steeds onderwerp van heftig debat tussen voor- en tegenstanders. De wetgever koos onlangs voor een beperkte variant in artikel 6:177a BW (mijnbouwschade). Hoe bijzonder is die regel eigenlijk, is het wel een regel, en wat vindt Asser/Asser Procesrecht 3 Bewijs uit 2017 ervan?

Rode draad | Kansen & Risico's
oktober 2018
AA20180840

Onafhankelijkheid én verantwoordelijkheid

J.M. Barendrecht

Column waarin Barendrecht ingaat op de door hem gewenste nieuwe vormgeving en verantwoordelijkheden van de rechterlijke macht daar waar het de civiele rechtspleging betreft. Hij gaat in op het griffierecht, het procesrecht dat door de rechterlijke macht geregeld wordt en de verantwoordelijkheid en toezicht op de rechterlijke macht door een organisatie van niet-juristen.

Opinie | Column
december 2009
AA20090817