• Deze uitgave is leverbaar als:

Soort uitgave: 

ISBN: 9789069168470

7e druk 2017

Verschijningsdatum: 04-09-2017

Pagina's: 310

Strafrechtelijk bewijsrecht

Omschrijving

De laatste vijfentwintig jaar is het bewijs en het bewijsrecht uitgegroeid tot één van de belangrijkste en meest bediscussieerde onderwerpen binnen het strafprocesrecht. Het nationale recht en in het bijzonder de rechtspraktijk ondergaan in hoge mate invloed van het zich ontwikkelende mensenrechtenrecht, terwijl ook merkbaar is dat buitenlandse opvattingen en standaarden hun invloed doen gelden, bijvoorbeeld via het enorm toegenomen (kleine) rechtshulpverkeer en via de internationale tribunalen inzake oorlogsmisdrijven. Voorts kan de theorie van het bewijs zich verheugen in een groeiende belangstelling, waarbij ook wetenschappers en practici vanuit andere (forensische) disciplines zich niet onbetuigd laten. Ook deze ontwikkeling is over de nationale grenzen heen merkbaar.

Dit boek biedt een systematische behandeling van het Nederlandse strafrechtelijk bewijsrecht. De huidige stand van het recht wordt besproken, kritisch geëvalueerd en hier en daar tevens bezien in het licht van ontwikkelingen elders en te verwachten ontwikkelingen hier te lande.

Bijzondere aandacht wordt geschonken aan spanningen die de rechtsontwikkeling te zien geeft, bijvoorbeeld ten aanzien van enerzijds de vooronderstellingen waar vanuit de ontwerpers van het Wetboek van Strafvordering (1926) de wettelijke bewijsregeling hebben vormgegeven en anderzijds de praktijk van de rechtspraak, met name zoals deze reilt en zeilt binnen de door de Hoge Raad der Nederlanden en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens uitgezette kaders.

Strafrechtelijk bewijsrecht is te gebruiken als studieboek in de rechtenstudie en als handboek in de rechtspraktijk en in de parajuridische sfeer, met name in de praktijk van forensische deskundigen.

Strafrechtelijk bewijsrecht is oorspronkelijk geschreven door Hans Nijboer. Hij was in leven hoogleraar bewijs en bewijsrecht aan de Universiteit Leiden. Als zodanig was hij directeur van het International Network for Research on (the Law of) Evidence and Procedure (INREP) en het Seminarium voor Bewijsrecht.

Voor deze zevende druk is de bewerking voortgezet door P.A.M. Mevis, J.S. Nan en J.H.J. Verbaan, allen verbonden aan de sectie strafrecht van de Erasmus Universiteit Rotterdam. Deze zevende druk strekt daarbij vooral tot actualisering.

Inhoudsopgave

Hoofdstuk 1 – Oriëntatie
1.1.  De betekenis van de vaststelling van feiten: bewijzen en bewijs
1.2.  De plaats van het strafrechtelijk bewijsrecht
1.3.  Onderzoek en bewijs (algemeen)
1.4.  Typering van het strafrechtelijk onderzoek en bewijs
1.5.  Terminologie
1.6.  Bewijs en de ‘procespartijen’ in het strafgeding
1.7.  Soorten tenlasteleggingen
1.8.  De grondslagleer
1.9.  Legaliteit en de wettelijke bewijsregeling
1.10. Het stelsel van de artikelen 338‑344a WvSv, 350 en 359-360 WvSv ten opzichte van andere stelsels
1.11.  Bewijsregels in bij- en nevenprocedures

Hoofdstuk 2 – Acht kernpunten van de wettelijke regeling 
2.1.  De kernpunten: overzicht
2.2.  De beperkte strekking van de bewijsregeling in het WvSv
2.3.  De limitatieve opsomming van de wettige bewijsmiddelen
2.4. De compleetheid van het onderzoek op de terechtzitting en de gebondenheid
van de rechter aan dat onderzoek
2.5. De vrije waardering door de rechter; de niet wettelijk genormeerde
bewijsvoering
2.6. De rechterlijke overtuiging
2.7. Bewijsminima en dubbele bevestiging
2.8. In het uitgewerkt schriftelijk vonnis dient in bepaalde gevallen de
bewezenverklaring tot in detail gemotiveerd te worden
2.9. Gegevens van algemene bekendheid behoeven geen bewijs

Hoofdstuk 3 – De hoofdlijnen van de rechtsontwikkeling sinds 1926; onrechtmatig verkregen bewijs
3.1. Oriëntatie
3.2. Actoren I: de Hoge Raad en het jurisprudentieel bewijsrecht
3.3. De cassatierechter, het Wetboek van Strafvordering en de toelating van het
testimonium de auditu
3.4. Toegang tot verhoor; raadsman bij het politieverhoor en via audiovisuele registratie; verhoor per videoconferentie
3.5. Bewijsverweren
3.6. De verantwoordelijkheid van de rechter in relatie tot (eisen aan) de opstelling
van de verdediging
3.7. Actoren II: De Hoge Raad en de feitenrechter
3.8. Toegenomen betekenis en invloed van het EVRM en van de jurisprudentie van
het EHRM
3.9. EU-recht
3.10. Onrechtmatig verkregen bewijs: plaatsbepaling
3.11. Actoren III: de wetgever; incidentele wijzigingen in overvloed; een meer structurele herziening in aantocht; de projecten Strafvordering 2001 en Modernisering Wetboek van Strafvordering
3.12. Onrechtmatig verkregen bewijs: inhoud

Hoofdstuk 4 – De afzonderlijke wettige bewijsmiddelen nader belicht
4.1.  Het heterogene karakter van de opsomming in art. 339 WvSv
4.2.  Eigen waarneming van de rechter
4.3. Verklaring van de verdachte
4.4. Verklaring van een getuige
4.5. Verklaring van een deskundige
4.6. Schriftelijke bescheiden

Hoofdstuk 5 – Gegevens van algemene bekendheid behoeven geen bewijs
5.1. Achtergrond
5.2. ‘… behoeven geen bewijs’
5.3. Wat kan als gegeven van algemene bekendheid (in Nederland) worden
beschouwd?
5.4. Discussie of sprake is van algemene bekendheid
5.5. Enige voorbeelden uit de jurisprudentie
5.6. Afsluiting

Hoofdstuk 6 – De bewijsconstructie in het uitgewerkt schriftelijk vonnis
6.1.  De wettelijke eisen voor de inrichting van het schriftelijk vonnis
6.2.  Weergave van de gebruikte bewijsmiddelen en de inhoud daarvan in het
vonnis
6.3.  Eisen aan de motivering, weergave van feiten en bronnen; nadere
overwegingen in het vonnis
6.4.  Bewijsverweren
6.5.  Het verkort vonnis
6.6.  De nadere motivering van art. 360 WvSv
6.7.  Afsluiting

Hoofdstuk 7 – Enkele opmerkingen over de vrijspraak
7.1.  De vrijspraak als zelfstandige einduitspraak
7.2.  Vrijspraak en ontslag van alle rechtsvervolging
7.3. Enkele, aan de bewijsbeslissing van vrijspraak verbonden consequenties in
heden en verleden
7.4. Partiële vrijspraak
7.5.  De motivering van de vrijspraak
7.6.  Vrijspraak als bewijsbeslissing en de beoordeling in cassatie
7.7.  Vrijspraak in het mondeling vonnis of arrest
7.8.  Samenhang met (criteria in) andere procedures
7.9.  Discussie over en rechtsontwikkeling ter zake van vrijspraak

Hoofdstuk 8 – Bewijsrecht in hoger beroep en cassatie
8.1. De aard van het hoger beroep
8.2.  De uitgangspunten van de bewijsregeling in appel
8.3. Voortbouwend appel
8.4. Nieuwe bewijsmiddelen
8.5. De aard van het beroep in cassatie; de Hoge Raad stelt geen feiten vast
8.6. Toetsing van de bewijsbeslissing en van de bewijsvoering in het algemeen
8.7.  Enige bijzondere situaties

Hoofdstuk 9 – Het buitengewoon rechtsmiddel van herziening
9.1.  Karakter en verkenning
9.2.  Botsing van belangen
9.3.  De herziening betreft met name de rechterlijke bewijsbeslissing
9.4.  Gronden herziening ten voordele
9.5.  Gronden herziening ten nadele
9.6.  Betekenis van het bewijsvermoeden
9.7.  Voorafgaand onderzoek of zich een grond voor herziening voordoet
9.8.  De discussie over de ‘herziening van de herziening’

Afsluiting; op de drempel van nieuw bewijsrecht?

Trefwoordenregister

Recensies

Deze uitgave heeft nog geen recensie

Schrijf een recensie