Audi et alteram partem

Carel Smith en Harm Kloosterhuis

Eén van de fundamentele rechtsbeginselen is het beginsel van ‘hoor en wederhoor’. We treffen dit beginsel reeds aan in de eed die de rechters van de Heliaia, het hoogste gerecht van het oude Athene, dienden af te leggen: “Ik geef onpartijdig gehoor aan zowel eiser als gedaagde.” Tegenwoordig staat het beginsel in gelatiniseerde vorm bekend als audi et alteram partem: “hoor ook de andere partij”. Toch zal men deze maxime vergeefs in de Digesten of andere Romeinsrechtelijke bronnen zoeken—niet omdat de Romeinen het beginsel niet onderschreven, maar waarschijnlijk omdat het beginsel dermate evident werd geacht dat codificatie ervan overbodig was. Indirect treft men het beginsel overigens wel in de Digesten aan, zoals in de volgende, in onze ogen barbaarse bepaling bij overspel: “Een vader mag zijn zoon niet doden zonder hem te hebben gehoord.” (D. 48.8.2).

Zoals wel vaker bij beginselen, is de eenvoud van audi et alteram bedrieglijk. Allereerst liggen in het beginsel van hoor en wederhoor twee sub-beginselen besloten. Zo hebben partijen het recht om in gelijke mate te worden gehoord: het gelijkheidsbeginsel. Maar procespartijen hebben daarnaast ook het recht om commentaar te leveren op wat de wederpartij naar voren brengt: het contradictoire beginsel of recht op tegenspraak. Het beginsel bewerkstelligt dat iedere partij in het proces de gelegenheid krijgt zijn of haar visie op de stellingen van de wederpartij te geven.

Daarnaast geven beide sub-beginselen aanleiding tot nadere regels. We noemen er enkele. Zo ligt in het recht op tegenspraak het recht om zichzelf te verdedigen besloten. Daaruit wordt niet alleen afgeleid dat een ieder recht heeft op bijstand van een raadsman, maar ook op kosteloze bijstand van een raadsman indien men over onvoldoende financiële middelen beschikt (aldus art. 6 lid 3 sub c EVRM). In het recht op tegenspraak ligt bovendien besloten dat een ondeugdelijke oproeping een schending van het beginsel van hoor en wederhoor oplevert: de betreffende partij heeft dan niet kunnen verschijnen en is niet in de gelegenheid gesteld om de wederpartij van repliek te dienen. En als de rechter op eigen houtje (‘ambtshalve’) de feitelijke grondslag heeft aangevuld zonder partijen in de gelegenheid te stellen zich daarover uit te laten, levert dat eveneens een schending op van het beginsel van hoor en wederhoor.

Wat is de ratio achter het veelomvattende beginsel audi et alteram partem? De voor de hand liggende verklaring is dat de waarheid is gediend met hoor en wederhoor. Ook die gedachte is oud. We treffen die gedachte onder meer in de Bijbel aan: “Die de eerste is in zijn twistzaak, schijnt rechtvaardig te zijn; maar zijn naaste komt, en onderzoekt hem” (Spreuken 18:17, Statenvertaling). Het recht heeft het perspectief van de tegenstander nodig, niet omdat twee meer weten dan één, maar omdat partijen in een geschil subjectief zijn in de weergave van de feiten en omstandigheden van ‘hun’ zaak. Het recht op tegenspraak garandeert, althans in beginsel, dat de zaak minder eenzijdig voor het voetlicht komt, doordat procespartijen de stellingen en getuigenissen in een directe confrontatie met de andere partij kunnen aanvullen en bekritiseren. Op die manier krijgt de rechter een beter beeld van de zaak. Maar op meer dan een ‘beter beeld’ van de zaak moet men niet hopen: twee halve waarheden maken nog niet een hele waarheid.

Het belang van audi et alteram partem voor het recht wordt zo fundamenteel geacht dat een schending van het beginsel wordt gezien als een schending van het recht. “Wie oordeelt zonder de andere kant te horen”, aldus Seneca in Medea, “is onrechtvaardig, zelfs als het oordeel juist blijkt te zijn.” De rechter laadt dan de verdenking op zich partijdig te zijn, zelfs als hij dat niet is. Hij moet niet alleen onpartijdig zijn, maar hij moet ook tonen onpartijdig te zijn. “[J]ustice,” aldus Chief Justice Hewart in R v Sussex Justices (1924), “should not only be done, but should manifestly and undoubtedly be seen to be done.”

Het beginsel van hoor en wederhoor laat zien hoezeer procesgang en resultaat in het recht samenhangen. Het juridische gelijk is niet een gegeven waarop men zich ongeclausuleerd kan beroepen, maar het resultaat van een door regels geleid proces van oordeelsvorming. Dat is in de wetenschap (peer review) niet anders. En het vormt het fundamentele beginsel van de democratie: de wil van het volk is niet een gegeven waarop de ene of andere partij zich bij uitsluiting kan beroepen, maar iets dat gestalte krijgt in het parlementaire debat, dat wil zeggen: op tegenspraak.

 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.