Huwelijken zonder partneralimentatie… dat moeten koppels mogen willen!

In deze coronaluwe periode zijn er veel ‘inhaalhuwelijken’. Door de coronapandemie moesten bruiloften worden uitgesteld en soms zelfs meerdere keren worden verzet. Uiteraard wens ik deze koppels een happily ever after. Als we echter de huidige statistische gegevens op deze inhaalhuwelijken projecteren, dan zou een derde deel van deze huwelijken over 15 jaar ontbonden zijn door echtscheiding. Omdat het merendeel van de koppels geen huwelijkse voorwaarden maakt, trouwen ze in het wettelijke systeem. Dit is sinds 1 januari 2018 niet meer een ‘algehele’, maar een ‘beperkte’ gemeenschap van goederen. Voor de partneralimentatie is op 1 januari 2020 de Wet herziening partneralimentatie ingegaan. Hiermee wordt de alimentatieduur teruggebracht naar maximaal vijf jaar. In een aantal gevallen zijn er overigens langere alimentatietermijnen.

Bij ongetrouwde samenwoners blijkt de relatie vaker te stranden dan bij getrouwde koppels. Anders dan bij het huwelijk is er voor ongehuwde koppels geen wettelijk organisatiemodel beschikbaar. Met een samenlevingscontract bij de notaris kunnen zij wel zelf hun organisatiemodel kiezen. Dat doet naar schatting ongeveer de helft van de samenwonende koppels. Tot de groep samenwoners hoort ook een ‘divisie’ die wil doorstromen naar het huwelijk. Maar wat blijkt? Er zijn koppels van wie hun huwelijksplannen in de spreekkamer van de notaris sneuvelen zodra het onderwerp partneralimentatie aan de orde wordt gesteld. De eerste keer dat mij dit gebeurde, stond ik ervan te kijken, hoe snel het voorgenomen huwelijk door de ‘dreiging’ van partneralimentatie van tafel verdween!

Er zijn dus koppels die zouden willen trouwen als de partneralimentatie hen niet ‘in de weg zou staan’. Zij hebben behoefte om in hun huwelijkse voorwaarden af te spreken, dat er bij een scheiding geen sprake kan zijn van partneralimentatie. Zij willen een clean break: de banden bij scheiding in financiële zin verbreken. Op basis van de huidige rechtspaak is deze clausule in de huwelijkse voorwaarden – in vaktermen: een ‘voorhuwelijks nihilbeding’ – echter nietig. Er loopt nu een zeer interessante cassatieprocedure in belang der wet. Onlangs kwam de advocaat-generaal in een opmerkelijk betoog van 35 pagina’s tot de conclusie dat aanstaande echtgenoten het recht op partneralimentatie vóór het huwelijk al kunnen uitsluiten!

Al eerder heb ik in een rondetafelgesprek met de Tweede Kamercommissie voor Justitie betoogd, dat het huwelijk vanuit financieel oogpunt nog toegankelijker en moderner georganiseerd moet worden, omdat er voor samenwoners géén wettelijk organisatiemodel bestaat. Dat het mogelijk zou worden om in voorhuwelijkse huwelijkse voorwaarden de partneralimentatie ‘weg te contracteren’ betekent een belangrijke stap daarin. Eventueel naar ‘Duits model’ met een rechtelijke toets bij echtscheiding. Dit verlaagt de drempel om te trouwen. Het wegcontracteren van partneralimentatie in de huwelijkse voorwaarden past ook meer bij het huidige tijdsbeeld, waarin jongeren van 25 tot 35 jaar steeds vaker kiezen om parttime te werken. In 2020 werkte 40% van deze groep in deeltijd (cijfers CBS). Zij zijn heel bewust bezig met het inrichten van hun (financiële) leven. De anti-work movement uit de V.S. lijkt zelfs in ons land enige voet aan de grond te krijgen. Trouwens: voor de koppels die geen huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt waarin de partneralimentatie is weggecontracteerd, fungeert de partneralimentatie nog steeds als wettelijk vangnet bij scheiding.

Naar verwachting komt de Hoge Raad eind november met een uitspraak in de zaak, waarin de advocaat-generaal nu heeft geconcludeerd. Voor mij en andere juristen in het vakgebied is de spanning nauwelijks te verdragen. Met een collega vergeleek ik het onlangs met het wachten op het verschijnen van een nieuw seizoen van je favoriete Netflixserie. En dit is nog veel, veel groter dan dat. Misschien is het in praktische zin goed dat het nog even duurt voordat het oordeel van de Hoge Raad er is. Bij een ‘positieve’ uitslag immers, willen vast nog meer koppels trouwen, en dat is niet haalbaar op korte termijn. De feestlocaties voor dit jaar zijn al bijna volgeboekt met al die inhaalhuwelijken. Ook de trouwambtenaren zitten met volle agenda’s. Ik zie er echter wel een voordeel in… deze koppels hebben wat meer tijd om naar de notaris te gaan voor het maken van de huwelijkse voorwaarden. Dan hoeft de akte niet op het laatste nippertje door een nerveuze bruidegom en een bruid met krulspelden nog in en de nagels net in de lak bij de notaris te worden ondertekend…

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi juni 2022.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *