Shop

De moed tot onpartijdigheid

J.E. Soeharno

Post thumbnail In Nederland woedt discussie over de vraag in hoeverre rechters morele moed moeten tonen. De rechterscode is daarover duidelijk: ja, en zo nodig mogen zij daartoe zelfs de grenzen van het recht overschrijden. Maar past rechters wel morele moed in een moreel pluriforme samenleving? Dit artikel bepleit terughoudendheid met betrekking tot het tonen van morele moed door rechters en zet in op een andere moed: de moed tot onpartijdigheid.

Verdieping | Verdiepend artikel
oktober 2020
AA20200942

De moed des rechters

C. Kelk

Opinie | Column
september 2010
AA20100591

UCERF 16 - Actuele ontwikkelingen in het familierecht

De modernisering van het huwelijksvermogensrecht: hoe nu verder? Over de mogelijkheden die het algemeen vermogensrecht biedt

J.H. Lieber

De bijdrage van Jan Hein Lieber begint met de uitdagende vraag hoe het huwelijksvermogensrecht hervormd kan worden. De titel licht al een tipje van de sluier op in welke richting hij mogelijk een oplossing ziet. Na een brede inleiding die context geeft aan de rechtsontwikkelingen op dit punt, onderzoekt Lieber vanuit praktisch oogpunt welke mogelijkheden […]

De modernisering van het arbitragerecht

K. Redeker-Gieteling

Op 1 januari 2015 is de Wet tot wijziging van Boek 3, Boek 6 en Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek en het Vierde Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met de modernisering van het Arbitragerecht in werking getreden. In deze bijdrage wordt kort uiteen gezet wat het doel is van de nieuwe Arbitragewet, hoe deze wet tot stand is gekomen en welke wijzigingen eruit voortvloeien.

Annotaties en wetgeving | Wetgeving
maart 2015
AA20150227

De modaliteiten van het particuliere-investeerderbeginsel en de toepassing daarvan in de ING-steunverleningszaak

P.J. Slot

Hof van Justitie Europese Unie (HvJ EU) (tweede kamer) 3 april 2014, ECLI:EU:C:2014:213, zaak C-224/12P, (Commissie/Nederland en de ING Groep NV)

Annotaties en wetgeving | Annotatie
juni 2014
AA20140476

De mobiele telefoon als peilbaken. Mag dat?

B. de Boer

Enige tijd geleden stond in de De Volkskrant van 26 mei 1999 het bericht dat de verdachten van de moord op de prefect van Corsica hadden bekend de moord te hebben gepleegd nadat zij waren geconfronteerd met gegevens waaruit bleek dat de mobiele telefoons van de verdachten zich allemaal op het tijdstip van de moord in de buurt van het theater hadden bevonden, waar de moord zich had voltrokken. Ook in Nederland heeft zich enige tijd geleden een zaak voorgedaan waarbij een verdachte werd verraden door zijn mobiele telefoon. In dit artikel wordt de vraag aan de orde gesteld of de wijze waarop dit is gebeurd wel gelegitimeerd is.

Verdieping | Studentartikel
september 1999
AA19990608

De mislukte redding van een vallende ster

Over de verschillende fases rondom het faillissement

B.C.H. Smit

Post thumbnail

Juist in deze tijd van economische crisis spelen faillissementen een belangrijke rol.  Zowel vanuit civielrechtelijk perspectief als vanuit een fiscaalrechtelijk perspectief is de dynamiek rondom een dergelijk faillissement interessant. Zeker omdat de verhouding tussen de zekerheidshouder enerzijds en de fiscus anderzijds recentelijk op verschillende manieren is gewijzigd. Met name het Belastingplan 2013 en het programma Herijking Faillissementsrecht zorgen rondom het faillissement voor tegenstrijdige krachten tussen deze twee betrokken partijen. Deze bijdrage gaat dan ook over de discrepantie die bestaat tussen de doelstelling van beide projecten.

Verdieping | Studentartikel
december 2014
AA20140893

De minuscule Marshalleilanden slepen de almachtige kernwapenstaten voor het Internationaal Gerechtshof

O. Spijkers

Post thumbnail

In april 2014 heeft de Republiek der Marshalleilanden verzocht aan het Internationaal Gerechtshof om te beoordelen of de negen kernwapenstaten – China, Frankrijk, Groot-Brittannië, India, Israël, Noord-Korea, Pakistan, Rusland, en de Verenigde Staten – zich wel aan hun verplichting houden om zich, via onderhandelingen, van hun kernwapens te ontdoen.

Opinie | Opiniërend artikel
april 2015
AA20150281

De ministerieplicht van de notaris

T.J. Mellema-­Kranenburg

Post thumbnail Een notaris is een hybride figuur: enerzijds is hij openbaar ambtenaar die een in de wet omschreven taak moet verrichten (ministerieplicht), anderzijds is hij ondernemer die op efficiënte wijze en op een integere manier zijn kantoor moet organiseren. Daarnaast is hij een poortwachter die een belangrijke taak heeft binnen de ordening van de samenleving.

Perspectief | Perspectiefartikel
januari 2020
AA20200100

De minister en zijn procureurs-generaal kunnen de pot op. Over rechtspreken en recht praten

W.A. Wagenaar

Het resultaat van rechtspsychologisch onderzoek leidt zelden tot een wijziging van de wet; wel tot aanbevelingen en richtlijnen van het College van procureurs-generaal, of tot Ministeriële Besluiten. Het gaat veelal over uiterst relevante problemen, maar de praktijk leert dat rechters zich vaak niets aantrekken van zulke oekazes, onder het argument dat zij alleen met de wet te maken hebben. Het Openbaar Ministerie ziet hierin een aanmoediging om zich ook niet aan de regels te houden en de politie spant zich tenslotte ook niet meer in als er kennelijk geen prijs op wordt gesteld. Een aantal inmiddels beruchte strafzaken dankt hieraan het gebrek aan kwaliteit dat door A-G Jörg onlangs aan de kaak is gesteld.

Bijzonder nummer | Krom~recht, over misstanden in het recht
juli 2005
AA20050605

De minerval voor buitenlanders

H.G. Schermers

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ EG) 13 februari 1985, zaak 293/83, ECLI:EU:C:1985:69 Is extra collegegeld voor buitenlandse studenten in strijd met het EEG-Verdrag?

Annotaties en wetgeving | Annotatie
januari 1986
AA19860037

De minderjarige en het verdrag van Rome

J.M. Boas-Goldbach

Gezien de actuele betekenis van het Verdrag voor de rechten van de Mens en de verwijzing door E.A. Alkema naar de emanciperende werking die dit Verdrag kan hebben voor minderjarigen, is het vreemd te moeten constateren dat de betekenis van dit Verdrag in verband met de rechtspositie van minderjarigen nauwelijks voorwerp van onderzoek is. In het navolgende wordt nagegaan welke aanknopingspunten het Verdrag voor de Rechten van de Mens met het Jeugdrecht biedt. Daartoe wordt (1) eerst kort uiteen gezet de betekenis en plaats van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens. Vervolgens (2) wordt gekeken wat de actuele betekenis van het Verdrag is voor het Jeugdrecht. Hierna volgt (3) een beknopt onderzoek aan de hand van enkele bepalingen van het Verdrag. Tenslotte (4) een korte conclusie.

januari 1981
AA19810001