Internationaal Europees en buitenlands recht

De luide ondergang en stille herrijzenis van Trumps inreisverbod

K.M. Manusama

Daags na zijn inauguratie vaardigde de president Trump een decreet uit met een inreisverbod voor burgers uit zes hoofdzakelijk islamitische landen. Er zou daarmee sprake zijn van een muslim ban; een poging om moslims buiten de VS te houden. Er ontstond snel grote maatschappelijke en juridische weerstand. Ondertussen is ondanks al het maatschappelijke en juridische verzet de laatste versie van het inreisverbod van kracht geworden, na interventie door het Amerikaanse Hooggerechtshof. Kenneth Manusama legt uit hoe dit gelopen is.

Opinie | Opiniërend artikel
februari 2019
AA20190128

De Mediawet en het EEG-verdrag

K.J.M. Mortelmans

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ EG) 25 juli 1991, zaak C-353/89, ECLI:EU:C:1991:325 (Commissie van de EG tegen Koninkrijk der Nederlanden) Uitspraak van het HvJ EG waarin de verhouding tussen de dienstentitel van het EEG-verdrag en nationale mediawetgeving een rol speelt. In de noot wordt dieper ingegaan op de problematiek en wordt een groot overzicht gegeven van zaken waar media-aspecten bij aan de orde komen.

Annotaties en wetgeving | Annotatie
januari 1992
AA19920041

De militaire dimensie van de Europese Unie

P.J. Teunissen

Deze bijdrage behandelt de geschiedenis van het debat over een Europese defensie, als achtergrond voor de onderhandelingen sinds 1998 over een autonome Europese strijdmacht voor interventie bij crises. Uiteengezet wordt voorts waarom het voor de Europese Unielanden niet zo gemakkelijk is zelfstandiger militair op te treden. Zij hebben een tekort aan middelen en kunnen zich ook om strategische redenen niet losmaken van de Verenigde Staten, de andere NAVO-landen en de andere Europese landen. In de kern is het een zeer politieke aangelegenheid.

Bijzonder nummer | De toekomst van de Europese integratie
mei 2001
AA20010395

De minuscule Marshalleilanden slepen de almachtige kernwapenstaten voor het Internationaal Gerechtshof

O. Spijkers

Post thumbnail

In april 2014 heeft de Republiek der Marshalleilanden verzocht aan het Internationaal Gerechtshof om te beoordelen of de negen kernwapenstaten – China, Frankrijk, Groot-Brittannië, India, Israël, Noord-Korea, Pakistan, Rusland, en de Verenigde Staten – zich wel aan hun verplichting houden om zich, via onderhandelingen, van hun kernwapens te ontdoen.

Opinie | Opiniërend artikel
april 2015
AA20150281

De modaliteiten van het particuliere-investeerderbeginsel en de toepassing daarvan in de ING-steunverleningszaak

P.J. Slot

Hof van Justitie Europese Unie (HvJ EU) (tweede kamer) 3 april 2014, ECLI:EU:C:2014:213, zaak C-224/12P, (Commissie/Nederland en de ING Groep NV)

Annotaties en wetgeving | Annotatie
juni 2014
AA20140476

UCERF 16 - Actuele ontwikkelingen in het familierecht

De modernisering van het huwelijksvermogensrecht: hoe nu verder? Over de mogelijkheden die het algemeen vermogensrecht biedt

J.H. Lieber

De bijdrage van Jan Hein Lieber begint met de uitdagende vraag hoe het huwelijksvermogensrecht hervormd kan worden. De titel licht al een tipje van de sluier op in welke richting hij mogelijk een oplossing ziet. Na een brede inleiding die context geeft aan de rechtsontwikkelingen op dit punt, onderzoekt Lieber vanuit praktisch oogpunt welke mogelijkheden […]

De mythe van het de auditu-bewijs

N. Rozemond

Er is geen onderwerp in het strafprocesrecht waarover zo veel mythevorming bestaat als het de auditu-bewijs in strafzaken. Ook in de eerste aflevering van Ars Aequi met de Rode draad `Bewijs en Bewijsrecht`verkondigen Nijboer en Wagenaar zonder enige kritische kanttekening de mythe van het de auditu-bewijs. De mythe van het de auditu-bewijs bestaat uit twee bestanddelen. Het eerste bestanddeel is de opvatting dat de Hoge Raad in het De Auditu-arrest van 1926 tegen de wil van de wetgever de auditu-bewijs in het Nederlandse strafprocesrecht zou hebben geïntroduceerd. Het tweede bestanddeel bestaat uit de mening dat de auditu-bewijs in strijd is met het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens: het Europese Hof voor de Rechten van de Mens zou in het Kostovski-arrest `de bijl aan de voet van veel van de de auditu-constructies` hebben gelegd. In deze bijdrage wil ik proberen de mythe van het de auditu-bewijs te ontkrachten. Daarmee wil ik niet betogen dat er geen kritiek kan worden uitgeoefend op de bewijsvoering in Nederlandse strafzaken. Het 'herkennen van Iwan' van Wagenaar en 'Strafrechtelijk bewijsrecht'van Nijboer zijn verplichte literatuur voor iedere jurist die kritisch over het strafrechtelijke bewijsrecht wil nadenken. Ik wil slechts laten zien dat de kritiek op de auditu-bewijs zoals Nijboer en Wagenaar deze onder woorden brengen te ongenuanceerd is: de Nederlandse procespraktijk in strafzaken is veel gevarieerder dan zij het doen voorkomen. Deze nuancering is noodzakelijk om een beter begrip te krijgen van de sterke en zwakke kanten van de Nederlandse bewijsvoering in strafzaken.

Rode draad | Bewijs en bewijsrecht | Verdieping | Studentartikel
maart 1999
AA19990144

De nieuwe staten en het Internationale Hof van Justitie

E. van Schouten

juli 1982
AA19820460

De nieuwe Wet ter Bescherming Koopvaardij

C.M.J. Ryngaert

Post thumbnail De Tweede Kamer heeft onlangs een voorstel van wet aangenomen houdende regels voor de inzet van gewapende particuliere maritieme beveiligers aan boord van Nederlandse koopvaardijschepen, kort gezegd Wet ter Bescherming Koopvaardij. Het voorstel maakt het reders mogelijk om onder strikte voorwaarden particuliere (private) maritieme beveiligingsbedrijven in te zetten aan boord van Nederlandse koopvaardijschepen bij de doorgang van gevaarlijke zeegebieden.

Opinie | Opiniërend artikel
oktober 2018
AA20180787

De onafhankelijkheid van de internationale strafrechter

G.K. Sluiter

Post thumbnail Ik beperk mij tot een korte verkennende analyse van een aantal problemen ten aanzien van de onafhankelijkheid van de internationale strafrechtspraak. Deze problemen betreffen niet alleen het gebrek aan onafhankelijkheid, maar ook een te grote onafhankelijkheid, als mogelijke bedreiging voor een effectieve en eerlijke internationale strafrechtspleging. Deze analyse kan alleen verkennend zijn, omdat een evenwichtige toetsingsmaatstaf niet kan worden gegeven. Ik beperk mij tot drie kwesties: de relatie tot de Veiligheidsraad (paragraaf 3), de wetgevende activiteiten van de internationale strafrechter (paragraaf 4), en het afleggen van verantwoording (paragraaf 5). Enige inleidende opmerkingen wijd ik aan de positie van de internationale strafrechtspraak in de internationale rechtsorde (paragraaf 2).

Verdieping | Studentartikel
april 2008
AA20080272

De ontneming van wederrechtelijk voordeel in verhouding tot het EVRM

C. Philips

Is de Nederlandse regelgeving ter zake van de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (art.36e Sr)strijdig met de onschuldpresumptie van artikel 6 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM),wanneer niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de betrokkene het strafbaar feit ter zake waarvan de vordering is ingesteld heeft gepleegd,en evenmin kan worden vastgesteld dat hij vermogensbestanddelen bezit waarvan hij de herkomst niet kan verklaren? Op 1 maart 2007 deed het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM)een opmerkelijke uitspraak in de zaak Geerings versus Nederland, waarin geconcludeerd werd dat de in die zaak op artikel 36e lid 2 Sr gebaseerde ontnemingsmaatregel onverenigbaar is met artikel 6 lid 2 EVRM. Vegl: EHRM 1 maart 2007, LJN: BA1112

Verdieping | Verdiepend artikel
juli 2007
AA20070583

De ontwikkelingslanden en het IMF

N. Skylakakis

Dit artikel beoogt enkele aspecten van hedendaagse internationale monetaire regelingen onder de loep te nemen, in het licht van de complexe en ernstige problemen waar de niet-olieproducerende ontwikkelingslanden zich momenteel voor geplaatst zien.

juli 1982
AA19820370