Internationaal Europees en buitenlands recht

De onveilige baarmoeder

M.K. Jungschleger

Is het niet het recht van het kind, als gekozen wordt voor het voldragen van de zwangerschap, om prenataal beschermd te worden? En biedt de nationale en internationale wetgeving niet de mogelijkheid, misschien zelfs wel de plicht, kinderen prenataal te beschermen? De huidige opinie: het ongeboren kind heeft geen rechten, met als gevolg de onmogelijkheid van bescherming van het ongeboren kind tegen vermijdbare schade door doen en nalaten van de aanstaande moeder, dient te worden herzien.

Verdieping | Verdiepend artikel
mei 2002
AA20020339

De onverjaarbaarheid van internationale misdrijven

R.A. Kok

Dit proefschrift behandelt het al dan niet onverjaarbaar zijn van de ernstigste internationale misdrijven.

Literatuur | Proefschriftbijdrage
juli 2007
AA20070615

De oorlog in Vietnam

Achtergrond voor een juridische discussie

Ph.P. Everts

Een juridische beoordeling van de oorlog in Vietnam stuit op tweeërlei moeilijkheid: er is onzekerheid over de inhoud van het internationale recht, maar ernstiger is de onzekerheid over de werkelijkheid van de feiten waar dat recht op moet worden toegepast. Over de inhoud van het internationale recht, op het gebied van begrippen als interventie, agressie, collectieve zelfverdediging en op dat van het oorlogsrecht, handelt een deel van de hierna opgenomen artikelen. In deze bijdrage willen wij proberen uit de veelheid van gebeurtenissen en argumenten de achtergrond te destilleren waartegen die juridische beschouwingen moeten worden geplaatst. Het hier geschetste overzicht van de historische ontwikkelingen en van de achtergronden van de oorlog impliceert - alleen al door de beknoptheid - een selectie uit de feiten . De oorlog in Vietnam is een uiterst gecompliceerd conflict. Ik laat er hierna iets van zien. Maar die ingewikkeldheid mag ons niet in de verleiding brengen om dan maar helemaal niet te kiezen uit de feiten en om dan maar helemaal geen conclusies te trekken. Het hierna weergegevene zou nog sterk kunnen worden aangevuld en verfijnd. Het zou de hoofdlijnen van het betoog echter niet aantasten.

Bijzonder nummer
juli 1968
AA19680238

De opstanding van Europa (Digitaal boek)

J.W. Sap

Post thumbnail Door gerommel aan de grenzen, nationale reflexen en aanslagen blijkt Europa kwetsbaarder dan gedacht. Interne en externe dreiging drijft de Europese Unie uit elkaar. Heeft Europa de kracht om weer op te staan?

9789069168142 - 12-05-2016

De OV-studentenkaart en het gemeenschapstrouwbeginsel: een reactie

C.M.J.A. Kuypers

Reactie op een eerder in Ars Aequi gepubliceerd artikel en een andere reactie over de onverenigbaarheid van de OV-Jaarkaart voor studenten en het Europees gemeenschapsrecht. In de reactie wordt deze stelling iets genuanceerd.

Opinie | Reactie/nawoord
oktober 1992
AA19920588

De politieke theologie van de Iraanse constitutie

A. Ellian

Post thumbnail De islamitische politieke theologie vormt de essentie van de Iraanse Grondwet. De con­stitu­tio­nele revolutie in 1906 vestigde het primaat van de seculiere legitimatie en grondslag van de Iraanse rechtsorde oftewel Mashroeteh. Na de islamitische revolutie (1979) werd het primaat van Mashroe-e (gelegitimeerd door sharia) in de nieuwe grondwet verankerd. Het conflict tussen de door sharia gelegitimeerde rechtsorde en de seculiere legitimatie van de rechtsorde is echter nog niet voorbij.

Rode draad | Buiten Westen
december 2025
AA20250858

De Poolse rechtsstaat bedreigd

P.J. Slot

HvJ EU (grote kamer) 2 maart 2021, C-824/18, ECLI:EU:C:2021:153 (A.B. e.a. tegen Krajowa Rada Sądownictwa) Verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Naczelny Sąd Administracyjny (hoogste bestuursrechter van Polen), bij beslissing van 21 november 2018, ingekomen bij het Hof op 28 december 2018. Dit verzoek is aangevuld bij beslissing van 26 juni 2019, ingekomen bij het Hof op 5 juli 2019, in de procedure A.B., C.D., E.F., G.H. en I.J. tegen Krajowa Rada Sądownictwa.

Annotaties en wetgeving | Annotatie
juni 2021
AA20210613

De Poolse rechtsstaat onder druk: van artikel 7 VEU naar het Europees aanhoudingsbevel en weer terug

J.W. Ouwerkerk, P.J. Slot

Hof van Justitie Europese Unie (HvJ EU) (Grote Kamer) 25 juli 2018, C-216/18 PPU, ECLI:​EU:​C:​2018:​586 (LM)

Annotaties en wetgeving | Annotatie
december 2018
AA20181040

De positie van de Heilige Stoel in het volkenrecht

K. Martens

Een veel gehoorde fout is dat het Vaticaan en de heilige stoel hetzelfde zouden zijn, dit artikel geeft het onderscheid tussen beide aan. Bovendien word ook de inhoud van beide instellingen, zowel vroeger als in het huidige recht, behandeld.

Verdieping | Verdiepend artikel
februari 2006
AA20060102

De positie van de Nederlandse wetgevingsjurist bij het implementeren van EU-regelgeving

P.J.P.M. van Lochem

Met de constatering dat Europese regelgeving behoort tot het nationale domein, benadrukte de eerste Visitatiecommissie wetgeving in 2000 dat wetgevingsjuristen (naast andere nationale actoren) zichzelf moesten beschouwen als deelnemers in dit proces en niet als uitvoerders van een opdracht van hogerhand. Dit horizontale beeld lijkt echter niet met de verticale werkelijkheid overeen te komen.

Perspectief | Perspectiefartikel
oktober 2019
AA20190810

De positie van de non-combattant in een gewapend conflict

W.J. Hiemstra

Wanneer men tracht een overzicht te krijgen van de positie van de non-combattant in een gewapend conflict, is het opvallend hoe groot in deze materie het verschil is tussen theorie en praktijk. In theorie lijkt de zaak heel eenvoudig. Daar is de formulering - gegeven in de Declaratie van St. Petersburg van 1868 - die luidt: ‘The only legitimate object which states should endeavour to accomplish during war is to weaken the military forces of the enemy’, waarbij het in het kader van dit artikel voornamelijk gaat om de term 'military forces', hetgeen een verbod inhoudt de niet bij het conflict betrokken burgerij leed aan te doen. Het in deze declaratie gestelde verbod is vervolgens uitgewerkt in een aantal Conventies en Regulaties, waarbij de Haagse Vredesconferenties een belangrijke plaats innemen. Dat het nog steeds opgeld doet moge trouwens blijken uit een eerst verleden jaar door het Internationale Rode Kruis aan de aangesloten landen gezonden rondschrijven, waarin er op wordt gewezen, dat het onderscheid combattant-non-combattant nog altijd het principe is, waarop het oorlogsrecht stoelt. In de praktijk ziet het er echter heel anders uit. Het is zelfs zo ver gekomen, dat Thomas Schelling, een der voornaamste adviseurs van het Pentagon, in zijn boek Arms and influence komt tot de opmerking: ‘In the present era non-combattants appear to be not only deliberate targets but primary targets’. Er zijn, geloof ik, meerdere redenen te geven voor de grote discrepantie tussen het theoretische oorlogsrecht en de praktijk; ik zal trachten ze te noemen, om dan tenslotte te komen op het Vietnamese vraagstuk.

Bijzonder nummer
juli 1968
AA19680296

De processen van Neurenberg en Tokio en die van Stockholm-Roskilde

B.V.A. Röling

‘Johnson moordenaar, volgens de wetten van Neurenberg en Tokio’ is de juridische constatering, die nogal wat beroering heeft gebracht. Waar het ons om gaat is de vraag waarom gesproken moet worden van ‘de wetten van Neurenberg en Tokio’, waarom ‘de wetten van Neurenberg’ niet voldoende is. En dit ondanks het feit, dat het Handvest van Tokio, uitgevaardigd door MacArthur (behoudens een paar onbelangrijke en domme veranderingen) in de hoofdzaken gelijkluidend was aan dat van Neurenberg, en dat het Tokio’se Tribunaal op het punt van het recht de belangrijkste motiveringen van Neurenberg eenvoudig overnam.

Bijzonder nummer
juli 1968
AA19680312