Burgerlijk recht

Het begrip ‘onderneming’ in Boek 3 BW!

E. Vermeulen

Tijdens de totstandkoming van de wet juridische splitsing is in de literatuur gepleit voor het in eigendom onder algemene titel 'overdragen' van vermogensbestanddelen die tezamen een onderneming vormen. Deze faciliteit zou moeten worden opgenomen in boek 3 BW. De minister reageerde afhoudend; zij wilde eerst ervaring opdoen met de splitsingregeling. De discussie moet echter niet worden gestaakt, maar veeleer worden voortgezet. De faciliteit van 'overdracht van een onderneming onder algemene titel' blijft voor de praktijk van groot belang. In dit artikel wordt hier nader op ingegaan. Tevens wordt aandacht besteed aan de vraag hoe een dergelijke faciliteit in boek 3 BW zou kunnen worden ingevoerd.

Verdieping | Studentartikel
april 1999
AA19990209

Het beroepsgeheim reikt over de dood heen; een onhoudbare stelling?

W.L.J.M. Duijst , E. Thoonen

Post thumbnail Algemeen wordt aangenomen dat het medisch beroepsgeheim over de dood heen reikt. Dit leidt in de praktijk echter nogal eens tot dilemma’s die nadere verkenning behoeven. In deze bijdrage worden deze dilemma’s rondom het medisch beroepsgeheim na de dood vanuit verschillende invalshoeken belicht door mensenrechtelijke, bestuursrechtelijke, civielrechtelijke, strafrechtelijke en tucht- en klachtrechtelijke aspecten te belichten.

Verdieping | Verdiepend artikel
oktober 2018
AA20180777

Het bestuursrechtelijk en het privaatrechtelijk relativiteitsvereiste als twee-eiige tweeling

P.W. den Hollander

Post thumbnail Niet alleen het privaatrechtelijk aansprakelijkheidsrecht, maar ook het bestuursrecht kent sinds kort een relativiteitsvereiste. De wetgever plaatst dit bestuursrechtelijk relativiteitsvereiste eerst en vooral in het teken van een snel en ‘slagvaardig’ bestuursprocesrecht. De wijze waarop de Afdeling oordeelt of de ingeroepen norm strekt tot bescherming van het geschade belang verschilt bovendien van de wijze waarop de Hoge Raad dat doet.

Verdieping | Verdiepend artikel
juni 2012
AA20120443

Het Beta-project

A.I.M. van Mierlo

Hoge Raad 15 februari 2002, nr. R00/142HR, ECLI:NL:HR:2002:AD4004, NJ 2002, 197 Dit arrest gaat over de onpartijdigheid van de rechter in het burgerlijk procesrecht.

Annotaties en wetgeving | Annotatie
maart 2003
AA20030184

Het bodem(voor)recht van de fiscus bij faillissement: to be or not to be?

A.J. Tekstra

Post thumbnail Het bodem(voor)recht van de fiscus staat al sinds jaar en dag in de belangstelling. De roep om afschaffing ervan lijkt steeds luider te klinken. Er zijn echter ook partijen, zoals curatoren, die tegen afschaffing zijn, omdat hun positie daardoor zou verslechteren. In het verlengde hiervan speelt de omstandigheid dat de ‘gewone’ (lees: concurrente) crediteuren er bij de afwikkeling van de meeste faillissementen zeer bekaaid van afkomen. Ook dit aspect kan een rol spelen bij de beoordeling van de gevolgen van een even­tuele afschaffing van het bodem(voor)recht.

Opinie | Opiniërend artikel
november 2019
AA20190848

Het boeken van een boek

T.A. Keijzer, R. Kindt

Wie een boek van de plank in de bibliotheek trekt, zal zich niet bewust zijn van de juridische werkelijkheid achter die handeling. Wij lichten een tipje van de sluier.

Opinie | Redactioneel
januari 2014
AA20140003

Het boetebeding in het Europese contractenrecht

H.N. Schelhaas

In dit proefschrift is een rechtsvergelijkend onderzoek gedaan naar het boetebeding. Eerst komen de functies van het boetebeding, daarna de noodzaak tot rechtsvergelijkend onderzoek en tot slot de drie verschillende benaderingswijzen van het boetebeding in Europa.

Literatuur | Proefschriftbijdrage
november 2004
AA20040809

Het Bosal arrest

J.W. Zwemmer

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ EG) 18 september 2003, nr. C-168/01, ECLI:EU:C:2003:479, BNB 2003/344 (Bosal Holding BV t. Staatssecretaris van Financiën) De Nederlandse regel dat kosten van buitenlandse deelnemingen niet aftrekbaar zijn, is in strijd met EG-recht.

Annotaties en wetgeving | Annotatie
februari 2004
AA20040132

Het brandstichtende zoontje en het fietsende dochtertje – wie zal dat betalen?

F. de Graaf

Het leerstuk van de onrechtmatige daad, zoals de rechtspraak dat heeft ontwikkeld, vindt een bijzondere toepassing in artikel 1403 BW. Het eerste lid geeft immers, naast de aansprakelijkheid krachtens artikel 1401 BW voor eigen onrechtmatige daden, een verantwoordelijkheid voor o.a. schadetoebrengende daden van personen, voor wie men aansprakelijk is. Dit nogal tautologisch aandoende eerste lid beschouwt men vrij algemeen als een inleiding op de volgende leden en als zodanig zonder zelfstandige betekenis. Een uitwerking van het beginsel van het eerste lid vinden we in het tweede lid, dat ouders (c.q. voogden) onder bepaalde omstandigheden (inwoning, ouderlijke macht c.q. voogdij) aansprakelijk stelt voor de schade, veroorzaakt door hun minderjarige kinderen. Deze schadetoebrengende handeling moet ongetwijfeld een onrechtmatige daad in de zin van artikel 1401 BW zijn, zij het dat de ouders ook aansprakelijk zijn wanneer hun kinderen niet toerekeningsvatbaar zijn wegens hun jeugdige leeftijd. Lid 5 geeft de ouders dan een disculpatiemogelijkheid: zij zijn niet aansprakelijk wanneer zij bewijzen ‘dat zij de daad, voor welke zij aansprakelijk zouden zijn, niet hebben kunnen beletten’. De grote vraag bij dit artikel nu is, waarop deze ouderlijke aansprakelijkheid gebaseerd is; het antwoord op deze vraag is tevens beslissend voor de vaststelling van de omvang van de disculpatiemogelijkheden van het vijfde lid. Zoals in dit artikel zal blijken, komt de opvatting van de rechtspraak over dit artikel praktisch neer op een aansprakelijkheid van de ouders voor eigen onzorgvuldig handelen met een - in de praktijk niet eens zo belangrijke - omkering van de bewijslast voor wat betreft de schuld ten gunste van de gelaedeerde.

januari 1969
AA19690021

Het Burgerlijk Wetboek in de jungle

A.G. Castermans

Op 1 januari 1992 werd de kern van het vermogensrecht vernieuwd met de invoering van de Boeken 3, 5, 6 en 7 van het Burgerlijk Wetboek. De redactie vroeg A.G. Castermans het wetboek 30 jaar na dato te recenseren. Hij beschrijft de totstandkoming, enkele belangrijke vernieuwingen en de maatschappelijke betekenis van het inmiddels niet meer zo nieuwe Burgerlijk Wetboek. Wat hem betreft krijgt het boek vijf sterren, of vijf ballen.

Literatuur | Boekbespreking
februari 2022
AA20220158

Het causale en abstracte stelsel van eigendomsoverdracht

J.J. Hallebeek

In dit artikel wordt besproken in hoeverre dat er voor een geldige eigendomsoverdracht een rechtsgrond, titel, vereist is. Het causale stelsel, dat in Nederland geldt, wordt vergeleken met het abstracte stelsel dat in Duitsland geldt. Besproken wordt vanuit het Romeinse recht (Corpus Iuris Civilis) hoe dit verschil heeft kunnen ontstaan.

Overig | Rode draad | Digesten
maart 2006
AA20060174

Het civiele hoger beroep in de toekomst

F.J.H. Hovens

Niet alleen het procesrecht voor de eerste aanleg, maar ook de procedure in hoger beroep is aan herziening toe. Het huidige systeem geeft partijen een ongebreidelde kans het debat een geheel nieuwe wending te geven. Hieraan moet paal en perk worden gesteld. Onderzocht wordt welke mogelijkheden er zijn de efficiency van de appelprocedure te verbeteren.

Overig | Rode draad | Rechstmiddelen
november 2001
AA20010866