Burgerlijk recht

Resultaat 1057–1068 van de 3178 resultaten wordt getoond

Het begin en het einde van het rekening-courantkrediet

M. van Leeuwen, B.F.P. Lhoësten

Elk bedrijf heeft voor zijn bedrijfsvoering liquide middelen nodig. In het algemeen beschikt het bedrijf daar zelf niet in voldoende mate over. De laatste jaren neemt het eigen vermogen van bedrijven procentueel sterk af. Bovendien is het eigen vermogen meestal ondergebracht in vaste activa. Het bedrijf moet dus vreemd vermogen aantrekken om over liquide middelen te beschikken. Een bancair krediet is hier de meest voor de hand liggende mogelijkheid. Vaak wordt er een rekening-courantovereenkomst gesloten; een snelle en flexibele vorm van kredietverlening. In deze overeenkomst, die zeer gunstige voorwaarden voor de bank bevat, komt de machtspositie van de bank duidelijk tot uiting. Het is de bank die bepaalt aan wie zij krediet verleent en onder welke voorwaarden. In het in bankkringen inmiddels beruchte 'Leidsche Wol' vonnis bleek opeens dat de bank haar (ruime) bevoegdheden niet altijd onverkort mag uitoefenen. Wij zullen in dit artikel nagaan waaraan de bank in de praktijk de aanvraag van een rekening-courant toetst. Vervolgens zullen wij onderzoeken onder welke omstandigheden de bank de rekening-courantovereenkomst mag beëindigen.

Overig | Rode draad | Financiële markten en instellingen
juli 1988
AA19880438

Het begin van het einde van het tegenstrijdig belang

A.-W. van der Vegt

Post thumbnail Het leerstuk van het tegenstrijdig belang leidt binnen het vennootschapsrecht een roerig bestaan. Beoogde de wetgeverbegin twintigste eeuw slechts een regeling te geven voor desituatie waarin de vennootschap een rechtshandeling verrichtmet en rechtsgedingen voert tegen haar bestuurder; anno 2007is de reikwijdte van het leerstuk enorm in omvang toegenomenwaardoor er in steeds meer gevallen sprake is van een tegenstrijdigbelang. Langzamerhand lijkt echter een einde te zijn gekomen aan deze ‘oprekking’ van het tegenstrijdig belang.

Verdieping | Studentartikel
september 2008
AA20080600

Het begrip ‘onderneming’ in Boek 3 BW!

E. Vermeulen

Tijdens de totstandkoming van de wet juridische splitsing is in de literatuur gepleit voor het in eigendom onder algemene titel 'overdragen' van vermogensbestanddelen die tezamen een onderneming vormen. Deze faciliteit zou moeten worden opgenomen in boek 3 BW. De minister reageerde afhoudend; zij wilde eerst ervaring opdoen met de splitsingregeling. De discussie moet echter niet worden gestaakt, maar veeleer worden voortgezet. De faciliteit van 'overdracht van een onderneming onder algemene titel' blijft voor de praktijk van groot belang. In dit artikel wordt hier nader op ingegaan. Tevens wordt aandacht besteed aan de vraag hoe een dergelijke faciliteit in boek 3 BW zou kunnen worden ingevoerd.

Verdieping | Studentartikel
april 1999
AA19990209

Het beroepsgeheim reikt over de dood heen; een onhoudbare stelling?

W.L.J.M. Duijst , E. Thoonen

Post thumbnail Algemeen wordt aangenomen dat het medisch beroepsgeheim over de dood heen reikt. Dit leidt in de praktijk echter nogal eens tot dilemma’s die nadere verkenning behoeven. In deze bijdrage worden deze dilemma’s rondom het medisch beroepsgeheim na de dood vanuit verschillende invalshoeken belicht door mensenrechtelijke, bestuursrechtelijke, civielrechtelijke, strafrechtelijke en tucht- en klachtrechtelijke aspecten te belichten.

Verdieping | Verdiepend artikel
oktober 2018
AA20180777

Het bestuursrechtelijk en het privaatrechtelijk relativiteitsvereiste als twee-eiige tweeling

P.W. den Hollander

Post thumbnail Niet alleen het privaatrechtelijk aansprakelijkheidsrecht, maar ook het bestuursrecht kent sinds kort een relativiteitsvereiste. De wetgever plaatst dit bestuursrechtelijk relativiteitsvereiste eerst en vooral in het teken van een snel en ‘slagvaardig’ bestuursprocesrecht. De wijze waarop de Afdeling oordeelt of de ingeroepen norm strekt tot bescherming van het geschade belang verschilt bovendien van de wijze waarop de Hoge Raad dat doet.

Verdieping | Verdiepend artikel
juni 2012
AA20120443

Het Beta-project

A.I.M. van Mierlo

Hoge Raad 15 februari 2002, nr. R00/142HR, ECLI:NL:HR:2002:AD4004, NJ 2002, 197 Dit arrest gaat over de onpartijdigheid van de rechter in het burgerlijk procesrecht.

Annotaties en wetgeving | Annotatie
maart 2003
AA20030184

Het bodem(voor)recht van de fiscus bij faillissement: to be or not to be?

A.J. Tekstra

Post thumbnail Het bodem(voor)recht van de fiscus staat al sinds jaar en dag in de belangstelling. De roep om afschaffing ervan lijkt steeds luider te klinken. Er zijn echter ook partijen, zoals curatoren, die tegen afschaffing zijn, omdat hun positie daardoor zou verslechteren. In het verlengde hiervan speelt de omstandigheid dat de ‘gewone’ (lees: concurrente) crediteuren er bij de afwikkeling van de meeste faillissementen zeer bekaaid van afkomen. Ook dit aspect kan een rol spelen bij de beoordeling van de gevolgen van een even­tuele afschaffing van het bodem(voor)recht.

Opinie | Opiniërend artikel
november 2019
AA20190848

Het boeken van een boek

T.A. Keijzer, R. Kindt

Wie een boek van de plank in de bibliotheek trekt, zal zich niet bewust zijn van de juridische werkelijkheid achter die handeling. Wij lichten een tipje van de sluier.

Opinie | Redactioneel
januari 2014
AA20140003

Het boetebeding in het Europese contractenrecht

H.N. Schelhaas

In dit proefschrift is een rechtsvergelijkend onderzoek gedaan naar het boetebeding. Eerst komen de functies van het boetebeding, daarna de noodzaak tot rechtsvergelijkend onderzoek en tot slot de drie verschillende benaderingswijzen van het boetebeding in Europa.

Literatuur | Proefschriftbijdrage
november 2004
AA20040809

Het Bosal arrest

J.W. Zwemmer

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ EG) 18 september 2003, nr. C-168/01, ECLI:EU:C:2003:479, BNB 2003/344 (Bosal Holding BV t. Staatssecretaris van Financiën) De Nederlandse regel dat kosten van buitenlandse deelnemingen niet aftrekbaar zijn, is in strijd met EG-recht.

Annotaties en wetgeving | Annotatie
februari 2004
AA20040132

Het brandstichtende zoontje en het fietsende dochtertje – wie zal dat betalen?

F. de Graaf

Het leerstuk van de onrechtmatige daad, zoals de rechtspraak dat heeft ontwikkeld, vindt een bijzondere toepassing in artikel 1403 BW. Het eerste lid geeft immers, naast de aansprakelijkheid krachtens artikel 1401 BW voor eigen onrechtmatige daden, een verantwoordelijkheid voor o.a. schadetoebrengende daden van personen, voor wie men aansprakelijk is. Dit nogal tautologisch aandoende eerste lid beschouwt men vrij algemeen als een inleiding op de volgende leden en als zodanig zonder zelfstandige betekenis. Een uitwerking van het beginsel van het eerste lid vinden we in het tweede lid, dat ouders (c.q. voogden) onder bepaalde omstandigheden (inwoning, ouderlijke macht c.q. voogdij) aansprakelijk stelt voor de schade, veroorzaakt door hun minderjarige kinderen. Deze schadetoebrengende handeling moet ongetwijfeld een onrechtmatige daad in de zin van artikel 1401 BW zijn, zij het dat de ouders ook aansprakelijk zijn wanneer hun kinderen niet toerekeningsvatbaar zijn wegens hun jeugdige leeftijd. Lid 5 geeft de ouders dan een disculpatiemogelijkheid: zij zijn niet aansprakelijk wanneer zij bewijzen ‘dat zij de daad, voor welke zij aansprakelijk zouden zijn, niet hebben kunnen beletten’. De grote vraag bij dit artikel nu is, waarop deze ouderlijke aansprakelijkheid gebaseerd is; het antwoord op deze vraag is tevens beslissend voor de vaststelling van de omvang van de disculpatiemogelijkheden van het vijfde lid. Zoals in dit artikel zal blijken, komt de opvatting van de rechtspraak over dit artikel praktisch neer op een aansprakelijkheid van de ouders voor eigen onzorgvuldig handelen met een - in de praktijk niet eens zo belangrijke - omkering van de bewijslast voor wat betreft de schuld ten gunste van de gelaedeerde.

januari 1969
AA19690021

Het Burgerlijk Wetboek in de jungle

A.G. Castermans

Op 1 januari 1992 werd de kern van het vermogensrecht vernieuwd met de invoering van de Boeken 3, 5, 6 en 7 van het Burgerlijk Wetboek. De redactie vroeg A.G. Castermans het wetboek 30 jaar na dato te recenseren. Hij beschrijft de totstandkoming, enkele belangrijke vernieuwingen en de maatschappelijke betekenis van het inmiddels niet meer zo nieuwe Burgerlijk Wetboek. Wat hem betreft krijgt het boek vijf sterren, of vijf ballen.

Literatuur | Boekbespreking
februari 2022
AA20220158

Resultaat 1057–1068 van de 3178 resultaten wordt getoond