Maandbladartikel

De plaats van zelf werkzaamheid in de rechtenstudie

A.M.W. Lammers-Verdegaal

Verkorting van de studieduur èn minder mankracht: het samenvallen van de inwerkingtreding van de twee-fasenwet met ingrijpende Haagse bezuinigingen treft bijzonder slecht. Het verhogen van de effectiviteit van het onderwijs, zodat studenten de leerdoelen in vier jaar tijd kunnen bereiken, en het gelijktijdig extensiveren van het onderwijs kan in veler ogen onmogelijk worden gecombineerd. De vraag is of véél onderwijs ook goed onderwijs is. Van Kemenade stelt dat hij sceptisch is over de oorzakelijke samenhang tussen de onderwijskundige effectiviteit in het algemeen en de onderwijsdichtheid. Waarop baseert hij deze stelling? Zowel de in het geding zijnde effectiviteit als de efficiency van het onderwijs zijn een afgeleide van de gehanteerde onderwijsvorm. Naar de verschillen tussen de diverse onderwijsmethoden (didactische werkvormen) is veel empirisch onderzoek gedaan. Aan enkele belangrijke onderzoeksresultaten wordt in het navolgende aandacht besteed. In het bijzonder wordt bezien wat de implicaties zijn van het invoeren van meer zelfwerkzaamheid van studenten in het studieprogramma.

Onderwijs
juni 1982
AA19820288

De planologische kernbeslissing: een controversieel fenomeen

R.J. Lucassen

In het voorstel van wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dat zich thans in een vergevorderd stadium van parlementaire behandeling bevindt, is een procedureregeling voor planologische kernbeslissingen (pkb's) opgenomen. Tijdens het langdurige wetgevingsproces heeft de pkb herhaaldelijk aanleiding gegeven tot principiële discussies over deze vorm van ruimtelijke planning op rijksniveau, de medebetrokkenheid van het parlement bij de besluitvorming en de juridische status van de pkb. Welke betekenis de pkb-uitspraken hebben voor de eigen verantwoordelijkheid van lagere overheden, hoe zich hiermee de zogenaamde aanwijzingsbevoegdheid verhoudt, en de vraag of de pkb eigenlijk niet bij wet zou moeten worden vastgesteld, zijn enkele aspecten van een veelomvattende problematiek die in dit artikel aan de orde komen.

oktober 1985
AA19850520

De politie in haar hemd?

L. Bosch, J. Paulussen

In dit redactionele artikel wordt het fenomeen van de toegenomen particuliere beveiliging besproken. De redactie geeft kort commentaar hoe beveiliging door burgers zich verhoudt met de klassieke overheidstaak.

Opinie | Redactioneel
maart 2001
AA20010141

De politieke theologie van de Iraanse constitutie

A. Ellian

Post thumbnail De islamitische politieke theologie vormt de essentie van de Iraanse Grondwet. De con­stitu­tio­nele revolutie in 1906 vestigde het primaat van de seculiere legitimatie en grondslag van de Iraanse rechtsorde oftewel Mashroeteh. Na de islamitische revolutie (1979) werd het primaat van Mashroe-e (gelegitimeerd door sharia) in de nieuwe grondwet verankerd. Het conflict tussen de door sharia gelegitimeerde rechtsorde en de seculiere legitimatie van de rechtsorde is echter nog niet voorbij.

Rode draad | Buiten Westen
december 2025
AA20250858

De Politiewet 1993: de slechtste wet van Nederland

H.Ph.J.A.M. Hennekens

Prof.mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens betoogt dat de Politiewet 1993 de slechtste wet is die hij kent. Aan de orde komen: openbare orde, strafrechtelijke handhaving, gezagsdragers, beheerder van de politie, zeggenschap van het Rijk en het driehoeksoverleg.

Opinie | Opiniërend artikel
juni 1998
AA19980579

De Poolse rechtsstaat bedreigd

P.J. Slot

HvJ EU (grote kamer) 2 maart 2021, C-824/18, ECLI:EU:C:2021:153 (A.B. e.a. tegen Krajowa Rada Sądownictwa) Verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Naczelny Sąd Administracyjny (hoogste bestuursrechter van Polen), bij beslissing van 21 november 2018, ingekomen bij het Hof op 28 december 2018. Dit verzoek is aangevuld bij beslissing van 26 juni 2019, ingekomen bij het Hof op 5 juli 2019, in de procedure A.B., C.D., E.F., G.H. en I.J. tegen Krajowa Rada Sądownictwa.

Annotaties en wetgeving | Annotatie
juni 2021
AA20210613

De Poolse rechtsstaat onder druk: van artikel 7 VEU naar het Europees aanhoudingsbevel en weer terug

J.W. Ouwerkerk, P.J. Slot

Hof van Justitie Europese Unie (HvJ EU) (Grote Kamer) 25 juli 2018, C-216/18 PPU, ECLI:​EU:​C:​2018:​586 (LM)

Annotaties en wetgeving | Annotatie
december 2018
AA20181040

De portacabin

S.C.J.J. Kortmann

Hoge Raad 31 oktober 1997, nr. 16404, ECLI:NL:HR:1997:ZC2478, RvdW 1997, 215 (Ontvanger/Rabobank Terneuzen-Axel). Ook bekend als Portacabin-arrest. In de noot bij dit arrest wordt besproken welke criteria de Hoge Raad aandacht wanneer een zaak onroerend is in de zin van art. 3:3 lid 1 BW.

Annotaties en wetgeving | Annotatie
februari 1998
AA19980101

De positie van de derde in het bestuursprocesrecht in het bijzonder bij het rechtstreeks beroep tegen algemeen verbinden voorschriften

H.G. Lubberdink

Het komende rechtstreeks beroep tegen algemeen verbindende voorschriften bij de bestuursrechter roept de vraag op, in hoeverre 'derden' bij de bestuursrechterlijke procedure moeten worden betrokken wanneer een besluit, houdende een algemeen verbindend voorschrift, voorwerp van geschil is. Moet dat leiden tot een megaprocedure of valt het allemaal nog wel mee?

Bijzonder nummer | De derde in het recht
mei 1997
AA19970349

De positie van de Heilige Stoel in het volkenrecht

K. Martens

Een veel gehoorde fout is dat het Vaticaan en de heilige stoel hetzelfde zouden zijn, dit artikel geeft het onderscheid tussen beide aan. Bovendien word ook de inhoud van beide instellingen, zowel vroeger als in het huidige recht, behandeld.

Verdieping | Verdiepend artikel
februari 2006
AA20060102

De positie van de Nederlandse wetgevingsjurist bij het implementeren van EU-regelgeving

P.J.P.M. van Lochem

Met de constatering dat Europese regelgeving behoort tot het nationale domein, benadrukte de eerste Visitatiecommissie wetgeving in 2000 dat wetgevingsjuristen (naast andere nationale actoren) zichzelf moesten beschouwen als deelnemers in dit proces en niet als uitvoerders van een opdracht van hogerhand. Dit horizontale beeld lijkt echter niet met de verticale werkelijkheid overeen te komen.

Perspectief | Perspectiefartikel
oktober 2019
AA20190810

De positie van de non-combattant in een gewapend conflict

W.J. Hiemstra

Wanneer men tracht een overzicht te krijgen van de positie van de non-combattant in een gewapend conflict, is het opvallend hoe groot in deze materie het verschil is tussen theorie en praktijk. In theorie lijkt de zaak heel eenvoudig. Daar is de formulering - gegeven in de Declaratie van St. Petersburg van 1868 - die luidt: ‘The only legitimate object which states should endeavour to accomplish during war is to weaken the military forces of the enemy’, waarbij het in het kader van dit artikel voornamelijk gaat om de term 'military forces', hetgeen een verbod inhoudt de niet bij het conflict betrokken burgerij leed aan te doen. Het in deze declaratie gestelde verbod is vervolgens uitgewerkt in een aantal Conventies en Regulaties, waarbij de Haagse Vredesconferenties een belangrijke plaats innemen. Dat het nog steeds opgeld doet moge trouwens blijken uit een eerst verleden jaar door het Internationale Rode Kruis aan de aangesloten landen gezonden rondschrijven, waarin er op wordt gewezen, dat het onderscheid combattant-non-combattant nog altijd het principe is, waarop het oorlogsrecht stoelt. In de praktijk ziet het er echter heel anders uit. Het is zelfs zo ver gekomen, dat Thomas Schelling, een der voornaamste adviseurs van het Pentagon, in zijn boek Arms and influence komt tot de opmerking: ‘In the present era non-combattants appear to be not only deliberate targets but primary targets’. Er zijn, geloof ik, meerdere redenen te geven voor de grote discrepantie tussen het theoretische oorlogsrecht en de praktijk; ik zal trachten ze te noemen, om dan tenslotte te komen op het Vietnamese vraagstuk.

Bijzonder nummer
juli 1968
AA19680296