Themis en de muzen

(vrij naar G.C.J.J. van den Bergh, diss. Amsterdam, 1964)

Soms is het een afscheidsrede die hen ertoe inspireert. Of het zijn momenten van verveling tijdens een pleidooi of een kamerbetoog. Niet alleen juristen doen eraan, maar gelet op het karakter van Ars Aequi beperk ik mij in deze column tot het citeren van enige dichter-juristen. Om te beginnen een raadsel voor beginners. Welk arrest gaat schuil achter dit sonnet?

‘Plato’s grot
Ras en Drion, en Snijders, Haardt en Royer | Franx als A-G en Brunner annoteert.
Formatie van formaat, het kan niet mooier | wat de NJ hier aan ‘t publiek serveert.
Van Schellen, voor de eiser, ruikt zijn prooi. Er | hangt iets in de lucht, hoe Smitt zich ook verweert.
Dit is geen strijd tussen schavuit en schooier, | er wordt op ‘t scherp der snee geduelleerd.
Wie weet nog dat het in dit rechtsgeding | om ‘t snijden van steekschuim voor bloemen ging?
En wie wat steekschuim voor bloemen is? |
Wie dat van groot belang acht heeft het mis, | In ‘t recht telt niet het wezen maar de schijn,
niet: hoe het is, maar: hoe het lijkt te zijn.’

Iedere Plein-watcher van begin jaren tachtig weet het meteen: dit is de stijl van A-G – as he then was – Arthur Hartkamp en het arrest is natuurlijk het Haviltex-arrest (NJ 1981/635). Ik citeer het sonnet uit het tijdschrift Karakters (nr. 1 van april 1996, p. 8, 9), maar het is ook elders afgedrukt. Minder bekend is wellicht het dichtwerk van Peter Hoefnagels. Uit zijn afscheidsrede Het huwelijk | A comedy of errors (Zwolle: Tjeenk Willink, 1992, p. 21) citeer ik de eerste strofe van Hoefnagels ode aan het huwelijk:

‘Het is natuurlijk | een eng idee
dat | door de uniforme plaatsing
der stopcontacten | in flats
het blauwe oog | in 17 woonlagen
boven elkaar | vanuit dezelfde hoek
bekeken wordt | en [...]’

Het ligt voor de hand dat een derde en tevens laatste citaat wordt geput uit de wetgevende macht, te dezen vertegenwoordigd door oud-senator Willem Witteveen (Tijdens de werkzaamheden buiten de orde. De wetgeversgedichten, Nijmegen: Wolf 2007, ongepagineerd). Ik heb nog maar weinig ruimte, dus het wordt een kort gedicht (met een lange titel, ‘Hoe een vragende Socrates en een spraakzame Gorgias achter elkaar aanjagen’):

Alleen de slaper droomt de taal, | alleen de zwijger het verhaal.
Zoals de roos de tekendrager | en de grot de spiegelfase.
Slechts de pleiter kent de kwaal.

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi mei 2008

Categorieën: Columns, Weblogs
Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *