Rechter of wetgever
In zijn Groningse inaugurele rede Waarschuwen voor termijnen (Den Haag: Boom 2012, 105 p.) houdt Albert Verheij een pleidooi voor een informatieplicht met betrekking tot verjarings- en vervaltermijnen. Het mag niet meer voorkomen dat iemand die aanspraak kan maken op het medehuurderschap uit de woning wordt gezet omdat hij niet wist dat hij zich om medehuurder te worden ex artikel 7:268 lid 2 BW (huidige tekst) bij de kantonrechter diende te melden (anders HR 21 maart 2003, NJ 2003/ 591). Hoe af te dwingen dat de verhuurder hierop wijst? Verheij bepleit geen nieuwe wetgeving, maar wil het opleggen van een waarschuwingsplicht aan de rechter overlaten. De auteur voegt zich hiermee in een nieuwe trend om voor gewenste veranderingen in het recht niet steeds een beroep op de wetgever te doen. Rianka Rijnhout bepleitte eerder om, anders dan de Eerste Kamer, affectieschade toe te kennen aan verwanten van een omgekomene (Schadevergoeding voor derden in personenschadezaken (diss. Utrecht), Den Haag: Boom 2012, 479 p.). Ook zij meent dat dit via de rechter kan en dat ingrijpen van de wetgever niet nodig is. Wie even verder kijkt in de civielrechtelijke literatuur, zal meer van dit soort gevallen tegenkomen. Dat wijkt af van het verleden toen voorstellen tot verandering steevast uitmondden in suggesties voor wetswijziging. De Nederlandse Juristen-Vereniging is zelfs helemaal opgezet als een gezelschap dat aanbevelingen doet aan de wetgever. Daarom is het ook traditie dat de minister van justitie op de jaarlijkse NJV-vergadering zijn of haar opwachting maakt.
Het is echter helemaal niet zo gek dat hier – enige – verandering in komt. De wetgever heeft, kort gezegd, wel wat anders aan zijn hoofd, Brussel bijvoorbeeld. Enkele voorbeelden ontleend aan een recente feestbundel (Piet Sanders. Een honderdjarige vernieuwer, Den Haag: Boom 2012, 358 p.). In zijn bijdrage over ‘Vernieuwing van het NV-recht’ bepleit Bas de Jong weliswaar enige wetswijzigingen, maar afzonderlijke wetten voor beursvennootschap enerzijds en de overige kapitaalvennootschappen anderzijds hoeven er wat hem betreft niet te komen: ‘Dit vereist een grote wetgevingsoperatie en daar houden ze bij het ministerie van Veiligheid en Justitie begrijpelijkerwijs niet van nu de tijd van wetgevingsambtenaren steeds schaarser is’ (p. 94). In diezefde bundel spoort Vino Timmerman de rechter aan om in aanvulling op de wetgever vernieuwingen na te streven (p. 165). Iens Verburgh introduceerde ooit het begrip van de rechter als ‘wetgever-plaatsvervanger’. De rechter moet zich er dan uiteraard van bewust zijn dat hij een politieke rol vervult (C.J.J.M. Stolker, De politieke rol van de rechter in het burgerlijk recht, Leiden 1993) en dat er ook zoiets als overgangsrecht bij te pas moet komen (Lorenz Kähler, Strukturen und Methoden der Rechtsprechungsänderung (tweede druk), Baden-Baden: Nomos 2011, 526 p.).
Natuurlijk, het is waar dat de rechter niet zomaar op eigen gezag zijn gang kan gaan. Maar daar heeft de rechter open normen voor. En in de woorden van Timmerman ‘concepten die de rechter in staat stellen om vernieuwingen in het ondernemingsrecht aan te brengen’ (ibidem). Daar moet hij wel met enige vindingrijkheid om te springen. Maar laat dat maar aan de rechter over. Daar is hij rechter voor.
Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi mei 2013




