Ranking

Deze zomer jaar vinden in Duitsland de wereldkampioenschappen voetbal plaats. Nederland staat onder Marco van Basten tweede op de wereldranglijst en evenmin als in 1970 en 1978 – en 1998, voegen de kenners waarschijnlijk toe – lijkt een kampioenschap geheel uitgesloten. Ergens in de wereld vinden vast ook wel wereldkampioenschappen korfbal, sleetje rijden en onderwaterhockey plaats. Elk deelnemend team probeert er het beste van te maken. Bij voorkeur gaat men als kampioen naar huis. Ook bij individuele sporten telt de uitslag. Soms is er een aanmoedigingsprijs voor de meest strijdlustige fietser, een fair-play award voor degeen die het minst gemeen is, maar voor een bezoek aan Huis ten Bosch plegen alleen de winnaars te worden uitgenodigd. De beste tijd, de meeste goals, de verste worp – zij bepalen wie het goed, wie het het best doet, wat de ranking zal zijn. Niet als het aan J.H. Nieuwenhuis ligt, althans niet onder juristen. Volgens Nieuwenhuis is ranking maar (een kinderspel van) niks – NTBR 2005, p. 1 ‘Ranking? Hou onmiddellijk op met dit kinderachtig gedoe’). Nieuwenhuis is niet de enige die er zo over denkt. C.A.J.M. Kortmann, NJB 2004, p. 2243 deelt zijn mening (‘Dit type beoordeling en rangschikking (van overheidswege) grenst voor een eenvoudig jurist als ik ben niet alleen aan het absurde, maar ook aan onrechtmatig handelen’). C.J.H. Brunner spreekt – in Amice (Rutgers-bundel) 2005, p. 82, noot 5 – van een ‘modieuze meergekte’. De Groningse rechtssocioloog J. Griffiths stelt in dezelfde bundel op p. 122 zelfs: ‘De hoeveelheid domheid in dit soort “kwaliteitsmeting” is zo overweldigend dat je met stomheid wordt geslagen.’

Aan Brunner, Griffiths, Kortmann en Nieuwenhuis worden toegegeven dat ranking onder juristen in Nederland geen traditie heeft. Welk tijdschrift behoort tot de hoogste categorie: Ars Aequi of het Rechtsgeleerd Magazijn Themis? Op het punt van de boekrecensies moet uw lijfblad het vrees ik tegen Themis afleggen, maar als het om annotaties gaat, staat Ars Aequi dunkt me – samen met de NJ – fier bovenaan. Dat maakt een ranking van tijdschriften er niet eenvoudiger op. En hoe staat het met juridische faculteiten: heeft Elsevier gelijk en is small beautiful? Verliezen de klassieke vier – Amsterdam, Groningen, Leiden en Utrecht – het van de kleintjes, zoals Maastricht, Nijmegen en de VU? Nieuwenhuis heeft wederom gelijk als hij meent dat een citatie-analyse geen goed instrument is om kwaliteit te meten: hooguit wordt hiermee de impact bepaald.

Daar staat tegenover dat ranking, mits met zorg uitgevoerd, ertoe kan bijdragen dat tijdschriften, faculteiten (commissie ‘hoger op de ranglijst’) en onderzoeksscholen zelf interne controles gaan uitvoeren, dat zij ook op kwaliteit kunnen gaan concurreren, dat lezers en studenten zich bij hun keuze mede door de plaats op de ranglijst kunnen laten leiden. Ranking is een goed instrument om datgene wat alleen binnen de beroepsgroep bekend is, naar buiten te brengen. Hoewel een min of meer objectieve meting altijd moeilijk zal blijken, bieden onafhankelijke peer reviews aan de hand van karakteristieke wetenschappelijke publicaties daartoe wel de mogelijkheid. Als straks de wereldkampioenschappen voetbal, sleetje rijden en onderwaterhockey zijn afgelopen, willen we de vraag wie het mooiste en beste speelde graag zien uitgedrukt in een rangorde – ‘We are the champions’. Zo kan het ook bij juridische tijdschriften, faculteiten en onderzoeksscholen.

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi februari 2006

Categorieën: Columns, Weblogs
Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *