Plagiaat à la française
Vorige maand stelde ik in deze column het plagiaat van enige Duitse collega’s aan de kaak. Maar de Duitsers hebben hier geen monopolie op. Ditmaal wil ik de lezer op een Franse casus wijzen. Het was collega Bert van Schaick die mijn aandacht op deze zaak vestigde. In 1996 verdedigde een Française haar proefschrift over een gezondheidsrechtelijk onderwerp (La protection de la personne dans la recherche biomédicale (diss.) 1996). Zes jaar later ontdekte zij dat een van de leden van haar leescommissie – een arts met beweerdelijk ervaring op het Ministerie van Gezondheid op het gebied van biomedisch onderzoek – inmiddels zelf tweemaal was gepromoveerd, eenmaal gezondheidsrechtelijk en eenmaal privaatrechtelijk (Edmond le Borgne, Le corps du cobaye humain, objet de contrat (diss. Lille), 2000, 447 p.). In een van zijn dissertaties had het lid van de leescommissie ampel uit haar dissertatie overgeschreven, 87 pagina’s liefst. Dat bracht haar ertoe een strafklacht in te dienen en zich daarbij als beledigde partij te stellen. Ook in Nederland kennen we die mogelijkheid, maar hier wordt er veel minder gebruik van gemaakt.
Het hof te Parijs stelde haar bij arrest van 30 april 2009 in het gelijk. De arts, die op grond van zijn privaatrechtelijke promotie inmiddels te La Rochelle was toegelaten tot de advocatuur, kreeg een gevangenisstraf van twee jaar voorwaardelijk aan zijn broek. Voorts werd hij verplicht het arrest in diverse periodieken te publiceren en moest hij wegens aantasting van de morele rechten van de auteur € 20.000 aan schadevergoeding betalen. Cassatie tegen het arrest werd op 15 juni 2010 verworpen. Vervolgens werd hij door de Orde van Advocaten ook nog eens als lid geroyeerd, zodat hij de rechtspraktijk niet meer mag uitoefenen. Ook deze beslissing werd in appel, door het Hof te Bordeaux bij arrest van 4 juni 2010, D. 14 oktober 2010, bevestigd. In Frankrijk weet men de wetenschappelijke norm wel strikt te handhaven!
Toch werpt ook de Franse zaak vragen op, zoals Yves Avril in zijn noot onder het laatste arrest stelt. In de eerste plaats had de plagiërende arts zich eerst zes maanden voor inlevering van het manuscript als promovendus ingeschreven. Kan iemand werkelijk in zo korte tijd een proefschrift schrijven en welk toezicht heeft de promotor, Xavier Labbé, daarop gehouden? En is het wel zo verstandig om degenen die aan een rechtenfaculteit zijn gepromoveerd toe te laten tot de advocatuur?
Er is rond plagiaat nog een misverstand recht te zetten. Toen Michel Houellebecq van plagiaat werd beschuldigd omdat hij in zijn – overigens kostelijke – roman La carte et le territoire (Parijs: Flammarion 2010, 428 p.) zonder bronvermelding kwistig van Wikipedia gebruik had gemaakt, was zijn verweer dat Wikipedia geen auteursrecht pretendeert. Afgezien van de vraag of voor het literaire discours precies dezelfde normen gelden als in de wetenschap, moet worden opgemerkt dat de afwezigheid van auteursrecht (Aristoteles!) nog niet meebrengt dat men ongestraft iemands gedachtengoed zonder de naam te noemen mag overnemen.
Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi maart 2011




