Kopstukken
In de vorige column berichtte ik van mijn poging om de grote namen uit de geschiedenis van het Nederlandse privaatrecht ook bij een nieuwe generatie juristen bekend te maken. Nog levende juristen waren hiervan uitgezonderd. Niet per definitie, maar omdat daar langs andere weg in was voorzien. Levende juristen kregen gedurende een aantal jaren van mij een uitnodiging om aan te treden in een serie colleges met de titel ‘kopstukken’. De aanvankelijke opzet was overigens niet om de spes patriae in contact te brengen met bekende Nederlandse civilisten. Die was om tweedejaars studenten een andere, soms dwarse visie aan te bieden op de leerstukken welke die week aan de orde waren. Rechtswetenschap is een discours en geen eenrichtingverkeer. Tegenover de waarheid van de één staat die van de ander. Een uitnodiging kregen zij die op het punt van de stof van het basisdoctoraal burgerlijk recht van die week dwars lagen. Zo mocht Van Dunné komen uitleggen wat ‘uitleg’ zijns inziens inhoudt en waarom Asser/Hartkamp het fout ziet. Schoordijk mocht de vloer aanvegen – ‘voor u, mevrouw, is geen redding meer mogelijk’ – met allen die menen dat het leerstuk van de redelijkheid en billijkheid nodig is. Hesselink mocht hetzelfde komen doen. Barendrecht werd uitgenodigd om uiteen te zetten waarom open – ‘vage’ in zijn terminologie – normen niet goed zijn, Hartlief waarom ontbinding van de overeenkomst niet in alle gevallen behoort te worden toegestaan, Van Maanen waarom Lindenbaum/Cohen altijd verkeerd is begrepen en Bloembergen waarom de verkeersaansprakelijkheid moet worden afgeschaft. Inmiddels is ook in Amsterdam door de gezamenlijke juridische faculteiten een dergelijke cursus opgezet. Hoe nuttig het was om studenten met dwarse visies te confronteren, bleek keer op keer als een enkeling na het college aarzelend aan mij vroeg wat nu De Juiste Visie was.
Wat was opgezet als een poging om het discours te zoeken, bleek evenwel nog een ander facet te hebben. Aan het eind van de rit hadden de studenten een aardig beeld van wat civielrechtelijk Nederland te bieden had. Indertijd speelde dat nog geen rol, maar nu zou een cursus als deze een mooi overzicht bieden van waar men na de bachelor het beste met de masterfase door kan gaan. Wil men de fraaie retoriek van Nieuwenhuis of de bescheiden huisstijl van Klaassen, de aandacht voor het handelsrecht van Haak of de anti-harmonisatie visie van Smits? Zelfs is nog aan een derde mogelijke functie van de kopstukkencolleges gedacht. Ooit – vita brevis – zal zelfs de langstlevende jurist niet meer onder ons zijn. Wie zou niet graag nog eens een college van Meijers horen? Gelukkig bestaat er wel enig materiaal – Pitlo staat op cd; van Denning zijn videobanden in omloop – maar compleet is dat bij lange na niet. Van de eerste reeks kopstukcolleges zijn indertijd ten behoeve van het nageslacht video-opnamen gemaakt. Maar dat is bijzaak. Waar het om gaat, is dat iedere student er mijns inziens recht op heeft geconfronteerd te worden met uiteenlopende meningen. ‘Du choc des opinions jaillit la vérité’, zeggen de Fransen.
Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi juni 2006




