Hondenleed – dobbelen om Milo

Op 3 maart 2003 treden een man en een vrouw met uitsluiting van iedere gemeenschap met elkaar in het huwelijk. Sinds 1992 hadden zij reeds een affectieve relatie. In 1999 schaffen zij een hond van het merk Jack Russell aan, Milo genaamd. Milo krijgt in 2002 drie pups, waarvan partijen er één (Herman) behouden. In 2009 verlaat de vrouw de echtelijke woning met medeneming van Milo en Herman. De man vordert in kort geding afgifte van beide honden. De Groninger voorzieningenrechter mr. E.J. Oostdijk, overweegt dat beide honden krachtens de huwelijkse voorwaarden aan ieder der echtgenoten toebehoren voor een gelijk deel. Ter zitting bepaalt hij met instemming van beide partijen dat het alleszins redelijk is dat ieder van partijen de zorg over één van de honden krijgt. Partijen stemmen ermee in dat wie welke hond zal krijgen door het lot zal worden beslist. ‘Daartoe heeft de voorzieningenrechter een munt opgegooid. De uitkomst daarvan was dat de vrouw Milo zou behouden en de man Herman zou verkrijgen’ (Rb. Groningen 4 februari 2011, ECLI:NL:RBGRO:2011:​BQ0148. Ik trof de verwijzing naar deze uitspraak aan bij Geerten Boogaard, ‘De evangelische suspensie van het juridische’, in: Bas Hengstmengel en Timo Slootweg (red.), Recht en persoon/Verkenningen in de rechtstheologie van Paul Scholten, Deventer: Akkermans & Hunink 2013, p. 175).

Evangelischer lijkt mij de oplossing van de voorzieningenrechter Almelo. Ook deze moest een geval beslissen, waar baas Leon en bazin Noortje van de vierjarige Paco, een Engelse Stafford (bulterriër), uit elkaar waren gegaan. Partijen hadden een omgangsregeling afgesproken, maar eind september 2013 bracht Leon de hond niet terug. Waarop Noortje in kort geding afgifte eiste. Ter zitting vertelde Leons advocaat, zelf bezitter van een hond, dat Leon al vanaf zijn jonge jaren een Stafford wilde. Noortje wilde aanvankelijk zelfs niet eens met hem wandelen als het slecht weer was. Maar Leon had eigenlijk geen tijd en stalde Paco daarom bij zijn reumatische moeder. Bij wie hij zelf, met nieuwe vriendin, inwoonde. Waarom eigenlijk een kort geding, vroeg Leons advocaat. Er wordt immers nog aan een boedelscheiding gewerkt en tot die boedel behoort ook Paco. Bovendien wordt hij momenteel goed verzorgd, dus spoedeisend is de zaak ook al niet. Gelukkig treffen partijen het: de rechter is niemand minder dan mr. Gert Vermeulen, die zelf twee honden heeft. Is er geen werkbare omgangsregeling mogelijk, vraagt hij zich af – dat doen voorzieningenrechters meer. Partijen en hun advocaten gaan in conclaaf en komen eruit. Paco mag beurtelings een maand bij Leon en een maand bij Noortje blijven. Wat de rechter daarvan vindt? Geen goed idee, zegt de rechter: ‘dan weet Paco niet meer waar hij aan toe is’. En zo wordt een ‘om de week’ regime afgesproken – zie de rubriek ‘Op de rol’ op rechtspraak.nl. Een veel aantrekkelijker oplossing dan bij Milo.

Was bij Milo een betere oplossing denkbaar? Mij dunkt van wel. Wat ik bij de Groningse rechter mis, is begrip voor het aan het jeugdrecht ontleende ‘belang van de hond’. Hoe kan de rechter nu bepalen aan wie Milo de voorkeur geeft? Heel eenvoudig, ik heb het in het verleden zelf – licht perfide – vaak gedaan, zij het niet om het echt. Mijn dochter en ik gingen dan met een ons toevertrouwde logeerhond met de naam Jansen uit wandelen en op een tweesprong kozen we elk een andere richting. Hetgeen Jansen in hevige tweestrijd bracht, want hij was zowel op mijn dochter als op mij gesteld. Maar uiteindelijk moest hij toch kiezen met wie hij zijn wandeling zou voortzetten. Deze exercitie zou mij bij Milo meer zijn bevallen dan de thans gebezigde dobbelsteen.

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi april 2014

Categorieën: Columns, Weblogs
Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *