Hand in hand kameraden: schade verhalen op voetbalvandalen
Binnenkort gaat de voetbal weer Europees rollen. Veel fans zullen in de kuip of aan de buis gekluisterd zitten. Voor sommige van hun bobo’s is het evenwel weer peentjes zweten (de uitdrukking is van mijn Nijmeegse emeritus collega Van Agt). Hoe gaan de zogenaamde supporters zich bij de eerste uitwedstrijd gedragen? Gaat het leiden tot ernstige ordeverstoringen zoals vorig jaar in Nancy? Eind januari van dit jaar werd een Rotterdamse voetbalploeg wegens dit voorval door de organisatoren uitgesloten van verdere deelname aan een Europees bekertoernooi. Als gevolg hiervan derfde de ploeg miljoenen aan misgelopen televisierechten. Wat hier aan te doen? In februari jl. presenteerde de KNVB een plan voor strengere strafrechtelijke handhaving van de bestaande normen. Met het opleggen van een stadionverbod bestaat al enige ervaring (zie bijv. Hof Amsterdam 2 november 2006, NJF 2007, 18). In Italië worden hoge eisen aan de veiligheid van de stadions gesteld (zie AA 2007, p. 329-331).
Maar wat te doen als er toch schade ontstaat? De Maastrichtse hoogleraar Jan Smits heeft al eens de vraag opgeworpen of schade zoals veroorzaakt door de voorvallen in Nancy civielrechtelijk verhaalbaar is op de wangedragers (NRC Handelsblad 19 oktober 2004). Het antwoord luidt zijns en mijns inziens bevestigend. De hooligan handelt zonder twijfel onrechtmatig en veroorzaakt schade. Wat lastiger is het gesteld met het relativiteitsvereiste en het causaal verband. Is de geschonden norm wel geschreven ter bescherming van het belang van de voetbalvereniging? En zou de schade zonder het optreden van juist déze supporter niet zijn ontstaan? Dat laatste verweer valt met een beroep op de groepsaansprakelijkheid van artikel 6:166 gemakkelijk te pareren. Maar hoe staat het met een beroep op eigen schuld, bestaande in eerdere veroordelingen van de voetbalvereniging voor soortgelijke incidenten? Bieden de supporters wel verhaal? En hoe kan het optreden van de supporter als er geen televisiebeelden zijn worden bewezen? Het is duidelijk: een civielrechtelijke (regres)vordering tegen hooligans is niet zonder meer kansloos, maar er zitten wel enige haken en ogen aan.
De Denen die onlangs vanwege een incident met een supporter hun EK-kwalificatieduel met Zweden verloren zagen gaan en 100.000 Zwitserse franken boete moesten betalen, overwegen regres op de supporter (zie NRC Handelsblad 9 juni 2007). In Duitsland werd er vorig jaar zelfs over geprocedeerd en wellicht biedt dat onze Rotterdammers inspiratie. Op 25 oktober 2003 werd in Rostock een voetbalwedstrijd van de plaatselijke voetbalclub onderbroken door enige incidenten. Een toeschouwer wist van een 3 meter 10 hoge afscheidingsmuur af te komen en het veld op te stormen, waar hij de bal van de scheidsrechter afpakte. Ook twee andere toeschouwers slaagden er in het veld te bereiken. Vanwege deze en eerdere incidenten werd de FC Rostock door de Duitse voetbalbond veroordeeld tot een boete van € 20.000. In de regresactie van de FC tegen de drie voetbalvandalen werden twee van hen veroordeeld om hoofdelijk € 10.000 aan de FC te vergoeden en nummer drie tot € 10.000. In hoger beroep werd deze uitspraak in hoofdzaak bekrachtigd; alleen het bedrag waarvoor werd ten aanzien van de tweede gedaagde verlaagd tot € 4.000 (Oberlandesgericht Rostock 28 april 2006, Neue Juristische Wochenschrift 2006, p. 1819). Revisie bij het Bundesgerichtshof werd toegestaan, maar niet aanhangig gemaakt. In appel kwam vooral het relativiteitsvereiste aan de orde. De Duitse rechter, die de relatie tussen vereniging en supporter als een contractuele kwalificeert, oordeelt hierover als volgt: ‘Die vertragsimmanenten Obhuts- und Rücksichtnahmepflichten bestehen nicht nur gegenüber anderen Zuschauern oder dem Eigentümer des Stadions, sondern auch und insbesondere gegenüber den spielenden Mannschaften und dem Verein, der das Stadion angemietet hat. Dem Beklagten musste aus allgemeinen Veröffentlichungen bekannt sein, das dem Klager bei solchen Vorfällen eine Strafe des Deutschen Fußball Bund drohte. Dies nahm er bei seiner vertragswidrigen Handlung in Kauf ’.
Ook het verweer van medeschuld van de vereniging wordt verworpen: ‘Nach ständiger Rechtsprechung entlastet eine besondere Schadensanfälligkeit eines Geschädigten den Schädiger nicht davon, den vollen Schaden tragen zu müssen’. Ter navolging.
Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi oktober 2007




