Groningen beeft – tijd voor een constitutioneel hof

Het kan niemand zijn ontgaan. Bij de jaarlijkse kampeervakantie in Loppersum blijft het maar beven. Zelfs 3.6 op de schaal van Richter levert al een hele schrik op. En schrik niet alleen. Als het even tegenzit, zit er zo een hele scheur in de huismuur. Dat betekent dat er opnieuw gemetseld en gestukt moet worden. En dat het pand in waarde daalt. Probeer die twee-onder-één-kap in Oost-Groningen nog maar te verkopen. Minister Kamp heeft er een oplossing voor. Minder gaswinning en meer geld voor de inwoners. Maar dat geld krijgen ze alleen bij verkoop van hun huis. Voor zover de opbrengst minder is dan in een bevingloze omgeving wordt deze schade door de overheid vergoed. Degeen die solidair is met zijn omgeving en blijft zitten, krijgt niets. Is dat niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel? Of is sprake van ongelijke gevallen? In ons land is het de regering die hierover beslist. De regering wordt op dit punt gecontroleerd door het parlement. Niet dat dit hier nu de wijsheid in pacht heeft, laat staan de tijd om zich met juridische zaken als deze bezig te houden. Juridische zaken, zo kan men het omgaan met gelijkheid wel kwalificeren. Onze zuiderburen hebben daar sinds enige jaren een goede oplossing voor. Het Grondwettelijk Hof – vroeger Arbitragehof genaamd – kan zich uitspreken over toepassing van het gelijkheidsbeginsel. Dat heeft al heel wat uitspraken opgeleverd. Uitspraken van een deskundig college.

Hebben wij ook niet zoiets? Zeker, in Nederland is er het College voor de rechten van de mens, vroeger de Commissie gelijke behandeling genaamd. Komen zaken als die van de Groningse aardbevingen daar aan de orde? Dat blijkt het geval. In het Nederlands Dagblad van december 2013 waarschuwt het College dat getroffen Groningers zich zeer onveilig voelen. Ze voelen volgens het College onmacht en angst en kampen met een gevoel van beklemming. Dat is in strijd met het EVRM dat de Nederlandse staat verplicht om de burger te beschermen in zijn recht op veiligheid en rustig genot van het gezinsleven. Veel verder kan het College niet gaan. Het kan de overheid en partijen adviseren, maar niet meer dan dat. Het zou ook onwenselijk zijn om dat te veranderen. Juist het feit dat er na het advies van het College nog een normale rechterlijke toetsing volgt, geeft ons grondrechtenstelsel zo’n goede basis. Het is daarom wenselijk dat er ook in ons land een grondwettelijk hof komt. Wanneer het Grondwettelijk Hof (vroeger Arbitragehof) zich moet buigen over de grondwettelijkheid van een norm van wetgevende aard ten opzichte van het gelijkheidbeginsel, gaat het te werk in vier stappen: 1. Heeft het bestreden onderscheid betrekking op twee categorieën van personen die zich in vergelijkbare situaties bevinden, 2. Wat is het doel van dit onderscheid en is dit doel wettig, 3. Kan de maatregel die door de betwiste norm gedragen wordt, objectief gerechtvaardigd worden en is de maatregel geschikt ten opzichte van het beoogde doel, 4. Bestaat er een evenredige verhouding tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. Precies wat we moeten hebben, ook voor de uitvoerende macht.

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi mei 2014

Categorieën: Columns, Weblogs
Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *