Emoties & recht
1 Emoties en recht zijn geen vrienden. Wie zijn emoties onvoldoende bedwingt, komt licht in aanraking met het strafrecht. Het Jeffrey-arrest leert ons dat de civiele rechter emoties bij voorkeur links laat liggen. Omgekeerd kan het recht wel emotioneren. Drie voorbeelden wil ik geven, ontleend aan mijn eigen ervaringen: een met een student, een met een promovendus en een met een collega. Het zijn alle negatieve emoties; de positieve emoties bewaar ik voor een andere column.
2 Het eerste voorval dateert al weer van enige tijd terug. In Leiden begeleidde ik een student bij zijn scriptie over milieurecht. Dat lijkt een ethisch hoogstaand onderwerp, maar het kan ook vanuit een Blut-und-Boden-filosofie worden benaderd. Deze filosofie stamt uit de nazi-tijd. Het was tevens het uitgangspunt van mijn student. Geheel in strijd met de thans vigerende begeleidingsregels werd ik heel kwaad op mijn scribent. Of het geholpen heeft, betwijfel ik. Vaak is onderkoelde ironie in zo’n geval de beste remedie.
3 Mijn tweede ervaring deed zich voor in Amsterdam. Een Utrechtse medewerker promoveerde aldaar op een studie over opkomst en neergang van het handelsrecht. Een mooie studie, waar mogelijk – dat geldt voor elke publicatie die een scherp resultaat neerzet – wel iets op aan te merken viel. Dat gebeurde bij deze promotie ook, maar op een ongebruikelijk tijdstip. De promotor greep de laudatio aan om zijn forse kritiek op de jonge doctor te spuien. Wie wil promoveren moet tegen kritiek kunnen, maar tijdens de verdediging kan deze worden gepareerd, niet bij gelegenheid van de laudatio. Deze zal de pas gepromoveerde, al dan niet met gekromde tenen, gelaten over zich moeten laten komen. Het is daarom buitengewoon onrechtvaardig om de eigen promovendus ten overstaan van de faculteit en een zaal – in Amsterdam doet men dat in de kerk – genodigden eens flink de les te lezen. Een Utrechtse collega van de jonge doctor dacht er kennelijk ook zo over, want zij riep luid ‘boe’. Zelf heb ik het indertijd bij een boze brief aan de betrokken decaan gehouden met het mogelijk overtrokken – niet gehonoreerde – verzoek de promotor voortaan van promoties uit te sluiten.
4 De derde en laatste ervaring komt ook uit Amsterdam. In het fraaie Scheepvaartmuseum hield een Amsterdams collega zijn afscheidscollege. De collega bestond het om te verdedigen dat indien partijen er geen bezwaar tegen maken, de Nederlandse rechter gewoon Nederlands recht moet kunnen toepassen, ook als het internationaal privaatrecht naar toepassing van een ander stelsel wijst: ‘Laat degene die belang heeft bij toepassing van buitenlands recht dat dan maar stellen, en laat zijn wederpartij dan maar met tegenargumenten komen. Alleen in zulke gevallen, zou ik zeggen, of als partijen samen aandringen op de toepassing van buitenlands recht, zou de rechter moeten beoordelen of de lex fori inderdaad moet wijken voor vreemd recht’. Toen ik dit hoorde, werd ik inwendig woest en had ik de – tijdig onderdrukte – neiging om in navolging van mijn boven aangeduide collega ‘boe’ te roepen. Iets van de woede is na te lezen in mijn aankondiging indertijd in NTBR onder het opschrift ‘Eigen recht eerst’. Wat is er dan op deze praktisch ogende leer aan te merken? Dit, dat de gelijke behandeling van rechtsstelsels voor de praktijk moet wijken. Van een van mijn Amerikaanse docenten hoorde ik in de jaren zestig dat nog eind 1944 Duitse rechters in erfrechtzaken zo nodig Amerikaans recht toepasten – dit tot verrassing van mijn docent. Dat is gerechtigheid, zelfs van een rechter in nazi-tijd.
Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi januari 2008




