De stijl van de rechter in de West
In het vorige nummer van dit blad prees ik de stijl van de Engelse rechter. Vergeleken bij een Lord Denning maakt de Nederlandse rechter er niet zoveel van. Als hij het al eens probeert (‘voor mij verscheen een niemendalletje’), is het soms goed mis. Dat wordt aangetoond door dit citaat, van een rechter in het oosten van het land. Maar in de West is er hoop. Het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen deed begin dit jaar uitspraak in een kort geding van een journaliste tegen de toenmalige minister-president. Deze had de journaliste van haar persconferenties uitgesloten. Mr. Niels Frenk zond mij deze uitspraak toe. Het vonnis vangt aan met een korte sfeertekening: ‘Het was de beroemde Groucho Marx, die eens, gekscherend, heeft opgemerkt dat “politics is the art of looking for trouble, finding it everywhere, diagnosing it incorrectly, and applying the wrong remedies”. Een opmerking als deze zou natuurlijk door een totaal van humor gespeende persoon kunnen worden opgevat als een gebrek aan respect, doch is niettemin zo raak dat, naar het Gerecht aanneemt, zelfs een politicus een glimlach niet zal kunnen onderdrukken. Dat komt omdat er een diepe kern van waarheid in zit. Ook in dit geval, dat aan de oppervlakte niet anders is dan een aanvaring tussen twee dames, die het kennelijk niet zo goed met elkaar kunnen vinden (in het Papiamentu zeggen we: “nan sanger no ta sali ku otro”) en de gevolgen daarvan, moet men onwillekeurig aan deze opmerking denken. Met een beetje goede wil, met een beetje wijsheid, met een beetje verzoeningsgezindheid had deze kwestie de wereld uitgeholpen kunnen worden. Het heeft echter niet zo mogen zijn’. De betrokken rechter, mr. Bob Wit, laat hiermee zien dat hij – na achttien jaren als rechter te Willemstad – ‘makamba’ af is, zo lezen we in de zaterdagbijlage van NRC Handelsblad van 29 mei jl.
Vervolgens schetst het Gerecht uitvoerig de aanvaring tussen de toenmalige minister-president Mirna Louisa-Godett en de journaliste Marjo Nederlof van uitgeverij Amigoe. Het hoogtepunt hiervan was dat ‘tussen beide dames een handgemeen is ontstaan, waarbij de Minister-President de fotocopie, welke zij kort daarvoor aan Nederlof had overhandigd, tevergeefs uit de handen van, de kennelijk terecht als vasthoudend bekend staande, Nederlof trachtte te trekken’. Het gevolg was dat de minister-president de journaliste uitsloot van haar persconferenties. Het Gerecht begint de beoordeling van het geschil hierover met de volgende overweging: ‘Het belang van een vrije en onafhankelijke pers in een democratische samenleving kan niet genoeg worden benadrukt. Democratie houdt immers niet op nadat de burger, eens in de zoveel tijd, zijn stem heeft uitgebracht. Dan begint het pas. Een vrije en democratische samenleving kan niet bestaan, kan niet opbloeien en kan niet in leven blijven zonder eerbiediging van de fundamentele vrijheden van meningsuiting en pers [...]. Dat zijn geen achterhaalde uitvindingen uit lang vervlogen tijden of uit vreemde culturen. Het zijn de elementen, welke noodzakelijk zijn om hier en nu (en morgen) in vrijheid en met wederzijds respect te kunnen leven in een land waarop al zijn burgers trots kunnen zijn. Het land de Nederlandse Antillen is zo’n land en het moet ook zo’n land blijven.’
Nu moet het Gerecht toch even laten blijken dat het ook oog heeft voor de partij van Mirna Louisa-Godett: ‘Dit alles geldt te meer als ooit – er wordt in het vooronder door sommigen hoopvol over gefluisterd – het Schip van de Nederlands Antilliaanse of Curaçaose Staat zijn ankers zou lichten om het beschutte, zij het soms wat roerige, binnenwater van het Koninkrijk te verlaten en zich op die immense, zo betoverende doch ook zo verraderlijke, zee der onafhankelijkheid te begeven. Dan toch zal het Schip zeewaardig moeten zijn, deugdelijk geconstrueerd en uitgerust, en geleid door goed opgeleide en betrouwbare stuurlieden, die, afgaande op de fonkelende sterren van recht en wet, in de duisternis van de Grote Wereld, een veilige koers weten te bepalen’.
Op welke sterren dient de rechter zich te richten? ‘De “fonkelende sterren”, waarop in het onderhavige geval de juridische sextant gericht moet worden, zijn artikel 19 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR’. De conclusie tekent zich, post de bekende alia, geleidelijk af: ‘Ziedaar, de pers als waakhond, als “eyes and ears of the public”, als Koningin der Aarde. Natuurlijk zijn er ook grenzen aan deze grote vrijheid van de pers. De talrijke rechtszaken, welke ook hier te lande over dit onderwerp zijn gevoerd en die regelmatig op rectificaties en soms op schadevergoeding uitliepen, bewijzen dat [...]: de persvrijheid mag niet ontaarden in pestvrijheid’. Niet dat alles is toegestaan: ‘Moet de Minister-President zich dan maar alles laten welgevallen? Dat kan natuurlijk ook niet de bedoeling zijn. Anders dan in het Moederland aan gene zijde van de Oceaan, worden bepaalde omgangsvormen tussen journalisten en autoriteiten hier te lande nog steeds in ere gehouden [...]’. Maar het oordeel is onontkoombaar: ‘Voor het opgelegde toegangsverbod is geen wettelijke grondslag. Reeds daarmee valt het doek’. En de gevorderde dwangsom? Die is volgens het Gerecht overbodig. ‘De MinisterPresident zal het bevel van dit Gerecht naar de letter en vooral ook naar de geest (“cabalmente”) uitvoeren, al was het maar omdat dat haar constitutionele plicht is. Het Gerecht moge in dit verband wijzen op het voorbeeldige optreden van die grote staatsman uit Zuid-Afrika: Nelson Mandela. Toen deze nog maar net President was, werd een Presidentiële Proclamatie, waaraan hij erg gehecht was, door het Constitutionele Hof als ongrondwettelijk opzij gezet. Binnen enkele uren belegde Mandela een persconferentie en terwijl de natie de adem inhield, verklaarde de President dat “while disappointed at the ruling, he accepted it unhesitatingly and would implement it at once”’. Een ‘Engelse/Amerikaanse’ uitspraak (in meergenoemde zaterdagbijlage van NRC Handelsblad laat mr. Wit weten: ‘ik ben [...] een groot liefhebber van Amerikaanse en Engelse vonnissen en daar is de stijl die ik hanteer ook normaler’). Ter navolging, ook in het Rijk in Europa.
Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi oktober 2004




