Caroline en de oude rotten

1 Op 12 april 1978 ontving ik in Leiden hoog bezoek. De Amsterdamse hoogleraar Ulli (H.U.) Jessurun d’Oliveira en zijn Utrechtse collega Iens (M.J.P.) Verburgh nodigden mij uit om medewerker te worden van het Nederlands Juristenblad. Dat weekblad is in 1925 opgericht en kent sinds 1970 het instituut van de medewerker. Tot de medewerkers behoorden anno 1978 veel bekende juristen, onder wie de rechtshistoricus Hans Ankum, de strafrechtjurist J.M. van Bemmelen (die eerder, van 1936-1963, redacteur was), de rechtsvergelijker Isaak Kisch, de ondernemings- en gezondheidsjurist Sjef Maeijer, de criminoloog Willem Nagel en diens biograaf Kees Schuyt. Nog geen twintig jaar later werd zonder veel omhaal op abrupte wijze aan mijn medewerkerschap een einde gemaakt. De toenmalige redactie had in haar wijsheid besloten dat alle functies een beperkte duur zouden hebben. Dat zou goed zijn voor continue verfrissing van ideeën.

Alle functies? Er is er in elk geval één, waarop het tijdelijkheidsdictaat niet is toegepast. Dat is die van redactiesecretaris. In 1981 werd daarin de toen piepjonge Caroline Lindo benoemd. Dertig jaar heeft Caroline deze functie vervuld. Nu ja, ‘vervullen’ is het juiste woord niet. Dan denken we aan iemand die braaf haar tijd uitdient, paraafjes zet en een goede pensioenvoorziening opbouwt. Zo was het niet bij Caroline. Zij wás het Nederlands Juristenblad, net zoals Ineke Gerrits Ars Aequi was. Auteurs hadden in haar een warm pleitbezorgster voor het maximaal benutten van de deadline. Het blad profiteerde van haar fenomenale gave om schrijvers het maximum aantal woorden te doen respecteren. Maar in deze column wil ik niet de loftrompet voor Caroline steken – dat zal bij haar afscheid op 23 september in Den Haag al ruimschoots door daartoe beter geëquipeerden geschieden. Hier wil ik iets opmerken over het beleid van ons zusterblad – en van diverse andere juridische tijdschriften – om redactie en medewerkers regelmatig te verversen.

2 Op het eerste gezicht lijkt dit een prachtig idee. Dat in Engelstalige landen de Law Commissions zo’n nuttige functie vervullen is mede toe te schrijven aan de tijdelijkheid van de aanstelling van de Commssioners. (Op het Europese continent ligt dat anders: daar worden ambtenaren veelal voor het leven aangesteld, met alle gevolgen van dien.) In de Verenigde Staten zijn het in sommige deelstaten de rechters en officieren van justitie die een tijdelijke aanstelling krijgen. Maar redacties van juridische tijdschriften?

Het is opmerkelijk dat juist enkele van de meest beroemde juridische tijdschriften geen tijdelijkheids-policy hanteren. De Law Quarterly Review is misschien wel het meest prestigieuze tijdschrift van de common law. Wie voert de redactie? Professor Francis Reynolds (1932). En hoe lang doet hij dat al? Sinds 1987. Sinds de oprichting in 1885 heeft de Quarterly maar een zeer beperkt aantal redacteuren gehad. Wie eenmaal deel uitmaakt van redactie of redactieraad van het Tijdschrift voor Privaatrecht lijkt nauwelijks gebruik te maken van de statutaire de mogelijkheid om terug te treden. Het Juristenblad zelf kan bogen op enige mega-redactielidmaatschappen. Oprichter J.C. van Oven was (hoofd)redacteur van 1926-1963; J.M. Polak was van 1963-1992 (hoofd)redacteur; en G.E. Langemeijer was zelfs van 1926-1973 redactiesecretaris en later redacteur. Bij zo’n lang lidmaatschap dreigt het gevaar van de routine, van het langzaam wegebben van innoverende ideeën. Zelfs alzheimer komt wellicht om de hoek kijken en minstens even rampzalig: de collega-redacteuren beseffen dat het ontslag van hun langstzittende collega letterlijk een nagel aan diens doodskist kan zijn. Vaste termijnen dan toch maar?

3 Mijn voorkeur gaat uit naar een mix, net als bij het lidmaatschap van de Staten­Generaal. Laat een deel van de redactieplaatsen rouleren om vastroesten te voorkomen en ideeënverversing te bevorderen. Maar laat daarnaast – indien mogelijk (bij Ars Aequi zou ik dit niet adviseren) – ruimte voor enige oude rotten in het vak. Die de band met het verleden onderhouden, uit ervaring weten welke auteurs (on)betrouwbaar en lastig zijn, de wijsheid hebben om Moeilijke Zaken (beschuldigingen van plagiaat, fouten bij het drukproces, conflicten binnen de redactie, discriminerende advertenties) bij te sturen. Robert Feenstra, die sinds 1950 deel uitmaakt van de redactie, is nog altijd een sieraad van het Tijdschrift voor Rechtsgeschiedenis. Het Tijdschrift voor Privaatrecht is zonder Marcel Storme die het in 1964 oprichtte en er nog steeds de dagelijkse leiding aan geeft, zelfs ondenkbaar. Ad multos annos.

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi september 2011

Categorieën: Columns, Weblogs
Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *