Beste Mien

Onder deze titel schreef ik in de (Leidse) BW-krant een (flink) tijdje terug over de gebruikelijke dankwoorden aan het einde van inaugurele redes. Ik had er nog de even rituele dankwoorden aan het begin van veel proefschriften bij kunnen betrekken. Ondanks een daartoe strekkend verbod in het promotiereglement worden in dissertaties vaak niet alleen de promotor en de leden van de leescommissie, maar ook de (komende of binnenkort voormalige) levenspartner, kamergenoten, oma’s, poezen en andere huisraad toegesproken.

De aanhef ‘Beste Mien’ kwam ik tegen in de inaugurele rede van wijlen de Groningse hoogleraar Konrad Brahn (1922-2001). In zijn op 23 april 1974 uitgesproken rede over ‘Problemen van zakenrechtelijke aard rondom een stereo-geluidsinstallatie’ sprak hij na deze aanhef zijn echtgenote – allerhartelijkst – toe. In de BW-krant van september 1974 wierp ik de vraag op of het toespreken van dierbaren zo’n goede gewoonte is. Zo valt te betwijfelen of de dankbetuigingen steeds welgemeend zijn. Maar het is nu eenmaal geen mos om bij zo’n gelegenheid met kritiek te komen. ‘Waarde promotor, bij u waren mijn gedachten nooit veilig, want ik had ze nog niet aan u voorgelegd, of u ging er in de vakbladen al mee aan de haal.’ Een dergelijke boutade kwam ik nog niet tegen.

Toch zou het nageslacht erbij gebaat zijn dat iemands werkelijke gedachten voortleven. In 1974 suggereerde ik daarom de mogelijkheid om bij het slotwoord een contre-lettre te schrijven en deze vijftig jaar te archiveren alvorens zij openbaar wordt gemaakt. Dat stelt de dankbetuiger in de gelegenheid om zijn onvervalste mening te geven: ‘aan u, hooggeschatte A, heb ik … [volgt een vies woord]: u liet mij steeds maanden wachten op uw beoordeling van mijn manuscript’ of (in een rede) ‘na zware onderhandelingen met de faculteit is mij eindelijk een met 17 anderen gedeelde kamer toegewezen’. Als register zou een organisatie Wikinonleaks kunnen worden opgericht.

Een andere, verwante vraag is of heel juridisch Nederland moet meegenieten van de ode aan kat en kamergenoot. De Nijmeegse hoogleraar Leonard Verburg vond hiervoor in zijn inaugurele rede Het Nederlands ontslagrecht en het BBA-carcinoom (Deventer: Kluwer, 2010) een elegante oplossing. Zijn slotwoorden luiden: ‘De woorden die ik aan het slot van mijn oratie tot mijn naaste omgeving sprak, behouden de vertrouwelijkheid van het gesproken woord’.

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi juni 2011

Categorieën: Columns, Weblogs
Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *