Sociaal-economisch recht

De rechtspositie van chronisch zieken bij aanstellingskeuringen

R. Schuttelaar

De medische aanstellingskeuring is al jaren middelpunt van discussie. Er zijn verschillende vormen van regelgeving tot stand gekomen ter verbetering van de rechtspositie van de keurling. Dit heeft uiteindelijk geleid tot de Wet op de Medische Keuringen, die op 1 januari 1998 in werking is getreden. Hierbij wordt echter een belangrijke groep vergeten, namelijk de chronisch zieken. In de Wet op de Medische Keuringen wordt geen rekening gehouden met de bijzondere positie waarin zij zich bevinden. In dit artikel wordt bekeken wat de gevolgen van recente wetgeving voor de chronisch zieke keurling zijn. Hierbij zal ook aandacht worden besteed aan de privatisering van de Ziektewet. Tevens zal naar een mogelijke oplossing worden gezocht ter verbetering van de rechtspositie van chronisch zieken bij aanstellingskeuringen.

Verdieping | Studentartikel
juni 1998
AA19980540

De Reclame Code Commissie loopt van de Rails

S.E. Bartels, M.J. Kroeze, H. Moons

Redactioneel artikel in het kader van de rode draad waarin de redacteuren beschrijven dat met de regels die de Reclame Code Commissie (RCC) gebruikt de bevoegdheid van deze commissie verkleind wordt. De Reclame Code Commissie huldigt het standpunt daar waar redacties meewerken aan een bepaalde reclame-uiting de RCC niet meer bevoegd is om over deze uiting te oordelen.

Opinie | Redactioneel
februari 1993
AA19930077

De redelijkheidstoets bij bedrijfseconomisch ontslag

C.L. van Middelkoop

Post thumbnail In dit artikel wordt de redelijkheidstoets die is neergelegd in art. 3:1 Ontslagbesluit behandeld in geval van bedrijfseconomisch ontslag. Deze norm is ene typisch voorbeeld van een open norm. De vraag die aan de orde komt, is of deze norm werkelijk zo open is als deze lijkt. Allereerst wordt het wettelijk kader dat van toepassing is in geval van bedrijfseconomisch redenen geschetst. Daarna wordt de invulling van deze wettelijke criteria besproken. Daarna wordt de conclusie getrokken of er sprake is van werkelijke open normen.

Verdieping | Studentartikel
oktober 2009
AA20090634

De reëele en de fictieve opzegtermijn – wie betaalt de loonschade?

J. Riphagen

Kantongerecht Zutphen 28 januari 1999, nr. 88141, JAR 1999/49 De werknemer heeft verzocht om ontbinding op een termijn gelijk aan de anders voor hem geldende opzegtermijn dan wel om een hogere vergoeding; zulks in verband met (het per 1 januari 1999 geldende) artikel 16, lid 3 WW, krachtens welk artikellid het recht op uitkering wordt opgeschort gedurende een fictieve opzegtermijn. Een ontbinding op een zo lange termijn als door de werknemer verzocht laat zich echter niet rijmen met het bepaalde in artikel 7:685 BW ingevolge welk artikel de arbeidsovereenkomst, zo de kantonrechter besluit tot ontbinding, dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. Voor wat betreft de gevraagde hogere vergoeding moet gelden dat het buiten twijfel is dat de wetgever via het derde lid van artikel 16 WW een anticumulatieregeling in het leven heeft geroepen ten laste van de werknemer. Er is dan ook geen aanleiding tot het toekennen van een hogere vergoeding, te betalen door de werkgever, dan voor 1 januari 1999 gebruikelijk zou zijn geweest.

Annotaties en wetgeving | Annotatie
november 1999
AA19990828

De regulering van de infrastructuur van het internet: de afnemende invloed van de staten

R.W. Rijgersberg, C.N.J. de Vey Mestdagh

Het internet heeft een communicatierevolutie teweeggebracht, en ook ingrijpende gevolgen gehad voor de van oudsher grote invloed van staten op de regulering van de publieke communicatie-infrastructuur. De invloed van staten op de infrastructurele inrichting van het internet blijkt aanzienlijk kleiner dan traditioneel het geval was ten aanzien van soortgelijke publieke infrastructuren. Dit artikel behandelt de technische kenmerken van het internet die hiervoor verantwoordelijk zijn en laat zien waarom de staat zich op het internet van traditionele monopolist op het gebied van de regulering van publieke communicatie-infrastructuren heeft ontwikkeld tot slechts een belangenbehartiger onder velen.

Bijzonder nummer | Internet & recht | Verdieping | Studentartikel
juli 2008
AA20080505

De rol van banken in de transitie naar een duurzame economie. & een ode aan de fantasten en de dromers

K.C.I. Pijl

Post thumbnail Nederlandse banken hebben een wereldwijde impact op mens en milieu door de ondernemingen en projecten die ze financieren. Hoe kunnen we ervoor zorgen dat bankfinanciering bijdraagt aan een sociaal en ecologisch duurzame economie? Ik betoog dat de sleutel ligt in een herinterpretatie van de rol van banken in onze maatschappij.

Opinie | Amuse
september 2021
AA20210790

De rol van de vrouw in de reclame

W. Sillevis Smitt

Noorwegen is een van de weinige landen in Europa met een wettelijke bepaling die het uitbeelden van sekse-discriminatie in reclame verbiedt. Nederland moddert wat aan met een vage en ruime bepaling die de rol van de vrouw in de reclame in goede banen moet leiden. Dagelijks worden we met reclame geconfronteerd en beïnvloedt reclame de maatschappij. De rol die de vrouw in de huidige reclame speelt, is dikwijls ergerlijk en achterhaald. Wellicht is het tijd voor verandering en kan de wettelijke regulering van Noorwegen voor ons als voorbeeld dienen.

Overig | Rode draad | Recht en reclame
november 1993
AA19930796

De rol van het recht in het vestigingsklimaat

M.G. Faure

Post thumbnail

In toenemende mate wordt er, mede in het licht van Brexit, van uitgegaan dat de overgebleven EU-lidstaten in een concurrentieslag zullen treden om uit het Verenigd Koninkrijk vertrekkende bedrijven met gunstige rechtsregels aan zich te binden. Minder duidelijk is echter of bedrijven op basis van verschillen in rechtsregels ook daadwerkelijk zullen verhuizen. In de rechtseconomische literatuur is aan deze vraag heel wat aandacht besteed. Naast theoretische studies is ook empirisch onderzocht in welke mate verschillen in rechtsregels in de praktijk een invloed uitoefenen op de vestigingsbeslissing van bedrijven. Deze bijdrage biedt een kritisch overzicht van lessen die uit deze rechtseconomische literatuur kunnen worden getrokken aangaande de rol van het recht in het vestigingsklimaat.

Verdieping | Verdiepend artikel
januari 2018
AA20180009

De rol van rechtsbeginselen in het recht van de intellectuele eigendom en de ongeoorloofde mededinging

D.W.F. Verkade

In dit artikel wordt ingegaan op de werking van rechtsbeginselen op het gebied van de intellectuele eigendom en de ongeoorloofde mededinging. Daarbij wordt allereerst ingegaan op de grondslagen waarop de bestaande bescherming van onstoffelijke prestaties is terug te voeren. Daarbij spelen verschillende argumentaties een rol die voldoende behandeld worden. Ook wordt er ingegaan op de vraag of er met beginselen te argumenteren valt voor of tegen meer bescherming van onstoffelijke prestaties. Bij dit alles komt veel jurisprudentie aan de orde.

Bijzonder nummer | Rechtsbeginselen
oktober 1991
AA19910859

De Shell Nigeria-arresten van het hof Den Haag, een doorbraak bij internationale milieuschade?

S.M. Bartman, C. de Groot

Hof Den Haag 29 januari 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:132 (Oguru) en ECLI:NL:GHDHA:2021:133 (Dooh)

Annotaties en wetgeving | Annotatie
april 2021
AA20210384

De soeverein is niet thuis

Self-Sovereign Identity (SSI) en Attribute Based Credentials (ABC)

M. Hildebrandt

Post thumbnail In deze bijdrage wordt onderzocht hoe de idee van self sovereign identity (SSI) zich verhoudt tot kernbegrippen uit de juridische gegevensbescherming. Daarnaast wordt SSI vergeleken met de inzet van attribute based credentials (ABC).

Bijzonder nummer | Privacy
juli 2019
AA20190546

De springende roofkat

H. Cohen Jehoram

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ EG) 11 november 1997, zaak C-251/95, ECLI:EU:C:1997:528 (SABEL BV/Puma AG, Rudolf Dassler Sport) Het criterium ‘gevaar voor verwarring, inhoudende de mogelijkheid van associatie met het oudere merk’, als bedoeld in de eerste Merkenrecht richtlijn moet aldus worden uitgelegd, dat gevaar voor verwarring niet reeds aanwezig kan worden geacht, indien het publiek twee merken wegens hun overeenstemmende begripsinhoud met elkaar zou kunnen associëren.

Annotaties en wetgeving | Annotatie
juli 1998
AA19980700