De Koning in het Nederlandse staatsrecht


Waarom spreekt de Grondwet van de Koning, terwijl we al meer dan een eeuw een Koningin hebben? Mag de Koning weigeren zijn handtekening onder een wetsvoorstel te zetten? Hoe ver reikt de ministeriële verantwoordelijkheid voor de Koning, en voor de overige leden van het koninklijk huis? Wat is de betekenis van de eis dat het huwelijk van de Koning bij wet goedgekeurd moet worden? En heeft de Koning vrijheid van meningsuiting?

De Koning is de kleurrijkste en meest ‘persoonlijke’ functionaris in het Nederlandse staatsbestel. De positie van de Koning in dit bestel is het resultaat van een lange historische ontwikkeling, die haar wortels vindt in de vrijheidsstrijd van de Nederlanden tegen Spanje, onder aanvoering van Willem van Oranje. Ook nu nog neemt de Koning een belangrijke plaats in, als staatshoofd, als deel van de regering en als symbool.

In dit boekje komen enkele basisbegrippen en -beginselen van het Nederlandse staatsrecht aan de orde, uitgelegd aan de hand van de oorspronkelijke en de actuele betekenissen van het koningschap in de Nederlandse Grondwet, de wetgeving en de politieke praktijk. Daarbij komen de hiervoor gestelde vragen aan bod, en natuurlijk worden ook de bijbehorende ‘affaires’ aan­gestipt (Greet Hofmans, Lockheed, Margarita, Mabel).

Na een historische schets wordt ingegaan op het ambt en de persoon van de Koning, op zijn bevoegdheden in het wetgevingsproces en als staatshoofd bij onder meer de kabinetsformatie, en op het functioneren van de ministeriële verantwoordelijkheid. Verder wordt aandacht geschonken aan de positie van de overige leden van het koninklijk huis, en aan de titulatuur. Afgesloten wordt met een beschouwing over de spanningsverhouding tussen de principes van de democratische rechtsstaat en het erfelijke koningschap. In de bijlagen zijn enige documenten afgedrukt die dit alles illustreren.

Bekijk inhoudsopgave


 19,50