Maandbladartikel

Een verplicht openbaar bod op aandelen

F.C. van Spengler

Het is nogal wat om iemand te verplichten een openbaar bod op alle aandelen van een vennootschap uit te brengen. Toch stelt de Europese Commissie voor om deze verplichting op te leggen aan (rechts)personen die wel een flink deel maar niet alle aandelen van een vennootschap in hun bezit krijgen. Een bepaling daartoe is opgenomen in een ontwerp EG-richtlijn inzake het openbaar bod op aandelen. Op welke rechtsgrond steunt de bepaling en hoe is die door de Commissie uitgewerkt? Dat zijn de belangrijkste vragen die in dit artikel aan de orde komen.

Verdieping | Studentartikel
januari 1992
AA19920020

Een verschoningsrecht voor mediators?

A.W. Jongbloed

Post thumbnail De juridische beroepsgroep die de laatste tien jaar het meest in omvang toenam (zowel absoluut als relatief) is die van de mediators. Per 1 juli 2009 stonden 4.270 mediators ingeschreven in een door het Nederlands Mediation Instituut (NMI) bijgehouden register, terwijl het in 1999 om nog maar 1018 mediators ging. Anders dan ‘advocaat’ of ‘notaris’ mag iedereen zich ‘mediator’ noemen, want het betreft een vrij beroep zonder dat er (nog) een wettelijke regulering bestaat, zodat het aantal personen dat zich ‘mediator’ noemt hoger ligt dan het genoemde aantal van 4.270. Dat sprake is van zo’n diverse groep ‘mediators’ heeft directe gevolgen gehad. In een uitspraak van de Hoge Raad van 10 april 2009 is duidelijk gemaakt dat een ‘mediator’ (nog) geen beroep kan doen op het verschoningsrecht. Willen we dat er een inbreuk wordt gemaakt op het verkrijgen van de ‘Waarheid’, waartoe in beginsel een spreekplicht geldt? Vinden we de werkzaamheden van mediators belangrijk genoeg om een dergelijke inbreuk te accepteren?

april 2010
AA20100246

Een verschuiving van ontslagbescherming naar ontslagrecht

J. Linssen

Op 8 maart 1985 heeft de ministerraad ingestemd met een voorstel van de ministers De Koning van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Korthals Altes van Justitie, om aan de SER advies te vragen over een herziening van het ontslagrecht. De adviesaanvraag, die op 20 maart 1985 aan de SER is gezonden, is gebaseerd op het rapport Deregulering, lnkomensvorming en Arbeidsmarkt (DIArapport) van 25 mei 1984. Het kabinetsbeleid is gericht op een flexibeler arbeidsmarkt. Ter verwezenlijking hiervan wordt ernaar gestreefd een aantal regelingen met betrekking tot het ontslagrecht, die een mogelijk belemmerend effect hebben op het aantrekken van nieuwe arbeidskrachten, te wijzigen. De door het kabinet gepresenteerde wijzigingsvoorstellen, die in werkgeverskringen positief zijn onthaald, doen echter - zoals uit het navolgende zal blijken - nogal eenzijdig afbreuk aan de rechtspositie van de werknemers.

juli 1985
AA19850401

Een vierluik over onbevoegde vertegenwoordiging

H.N. Schelhaas

Hoge Raad 3 februari 2017, nr. 15/05174, ECLI:NL:HR:2017:142, NJ 2017/78 (Tamacht/Hodenius); Hoge Raad 3 februari 2017, nr. 15/03855, ECLI:NL:HR:2017:143, RvdW 2017/260 (Aventura); Hoge Raad 3 februari 2017, nr. 15/05400, ECLI:NL:HR:2017:144, NJ 2017/79 (Van der Vrande/Van de Laar); Hoge Raad 3 februari 2017, nr. 15/05423, ECLI:NL:HR:2017:150, NJ 2017/80 (J/K)

Annotaties en wetgeving | Annotatie
juni 2017
AA20170508

Eén voor allen en allen voor één: individuele versus collectieve handhaving van het consumentenrecht in het IPR

A.A.H. van Hoek

Hof van Justitie Europese Unie (HvJ EU) (Derde kamer) 28 juli 2016, C-191/15, ECLI:EU:C:2016:612 (Verein für Konsumenteninformation/Amazon EU Sàrl; verzoek van het Oberste Gerichtshof om een prejudiciële beslissing)
In dit arrest hakt het Hof van Justitie EU een aantal knopen door met betrekking tot de bescherming van consumentenbelangen in het internationaal privaatrecht. De verhouding tussen individuele en collectieve handhaving wordt uitgewerkt, terwijl de consument een nadere bescherming krijgt tegen misleidende formuleringen van rechtskeuzes in algemene voorwaarden. Tenslotte wordt ook de vraag naar de verhouding tussen de algemene IPR regelingen en de privacy richtlijn aan de orde gesteld. Het antwoord op die laatste vraag is helaas voor meerdere uitleg vatbaar.

Annotaties en wetgeving | Annotatie
december 2016
AA20160957

Een vroegere overdracht

S.E. Bartels, V. Tweehuysen

Academisch onderwijs is niet alleen het overbrengen van kennis die de docent al heeft en die de student nog moet vergaren. Docenten moeten studenten aan het denken zetten, vragen stellen zonder meteen het antwoord te geven en vragen durven stellen waarop zij zelf het antwoord niet weten. Geregeld komt het voor dat tijdens het (voorbereiden van het) onderwijs een vraag rijst waarover de bij het vak betrokken docenten nog niet eerder nadachten. Zo verging het ons bij het onderwijs over derdenbescherming in het kader van het derdejaarsvak Burgerlijk Recht I (goederenrecht). De vraag die aan de orde was: wat is een ‘ongeldige vroegere overdracht’ in de zin van artikel 3:88 BW? We bespreken deze vraag aan de hand van twee casus, waarvan wij ons afvragen of zij tot toepasselijkheid van artikel 3:88 BW zouden kunnen leiden.

Opinie | Opiniërend artikel
mei 2011
AA20110367

Een vruchtbare samenwerking met de volksvertegenwoordiging. De kabinetsformatie naar Nederlands staatsrecht

G.J. Leenknegt

Een uiteenzetting van hoe de kabinetsformatie in Nederland verloopt.

Verdieping | Verdiepend artikel
november 2002
AA20020798

Een wettelijk verbod op conversietherapie: symboolwetgeving of bittere noodzaak?

L. Postma, J. Verhagen

De zogenaamde ‘homogenezingstherapie’, ook wel conversietherapie, is een fenomeen dat de gemoederen bezighoudt. Van verschillende kanten uit de samenleving wordt voor een juridische aanpak voor het voorkomen en tegengaan van conversietherapie gepleit. Maar is een wettelijk verbod aangewezen? En is daar een afzonderlijke bepaling voor nodig? In deze bijdrage bezien de auteurs of het strafrecht en gezondheidsrecht reeds voldoende mogelijkheden bieden om conversietherapie aan te pakken.

Verdieping | Verdiepend artikel
februari 2022
AA20220098

Een who is who van de rechtsvergelijking

E.H. Hondius

Column van Hondius waarin deze rechtsvergelijking door Sir Basil Markesinis behandelt. Markesinis heeft onder meer een Engelstalig commentaar op het Duitse vermogensrecht geschreven. Hondius geeft een aantal quotes van hem waarin Markesinis de vloer aanveegt met collega rechtsvergelijkers van zowel het Europese vasteland als Engelse native speakers.

Opinie | Column
december 2009
AA20090809

Een wil die zich door een verklaring heeft geopenbaard

De erfenis van Friedrich Carl von Savigny

J.H. Nieuwenhuis

Friedrich Carl von Savigny (1779-1861) is de ontwerper van het Bolletje/Bolletje-model van de rechtshandeling: een op rechtsgevolg gerichte wil (‘Ik wil Bolletje’) die zich door een verklaring (‘Ik wil Bolletje’) heeft geopenbaard. Een opstel van Meijers uit 1921, De grondslag der aansprakelijkheid bij contractueele verplichtingen, bevat het bestek van de ‘wilsvertrouwensleer’ die ten grondslag ligt aan de artikelen 3:33 en 3:35 BW. Een andere visie verdient de voorkeur: ‘Ik wil Bolletje’ niet opgevat als wilsverklaring, maar als normatieve taaldaad.

Bijzonder nummer | Duits recht
juli 2014
AA20140545

Een wonderlijke aanbeveling

C.A.J.M. Kortmann

Nationale Ombudsman 25 april 2008, nr. 2008/05 Prof. mr. C.A.J.M. Kortmann annoteert een uitspraak van de Nationale Ombudsman waarin de Nationale Ombudsman oordeelt dat de uitlatingen van een gedeputeerde in een openbare vergadering voor een gewezen lid van Gedeputeerde staten grievend kan zijn maar waartegen een burger volgens de Nationale Ombudsman niet zo veel kan doen als gevolg van de immuniteit van het lid van het provinciebestuur.

Annotaties en wetgeving | Annotatie
september 2008
AA20080632

Eén zaak of meerdere zaken en de rol van verkeersopvatting

R.M. Wibier

Hoge Raad 13 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1785 (UTB Holding/Glencore)

Annotaties en wetgeving | Annotatie
maart 2021
AA20210279