Maandbladartikel

De wetgever als gangmaker van de flexibilisering van de arbeid

H. van Drongelen

Post thumbnail

In deze bijdrage wordt een antwoord gezocht op de vraag of de wetgever als gangmaker van de flexibilisering van de arbeid kan worden gezien. Wat blijkt? Het antwoord ligt zoals zo vaak verborgen in de geschiedenis.

Opinie | Amuse
april 2018
AA20180278

De wetgever neemt normverdragen niet serieus

H. van der Most

Vanuit de problematiek rondom de Algemene Nabestaandenwet wordt ingegaan op de directe werking van normen uit verdragen. Er wordt ingegaan op een ieder verbindendheid van bepalingen uit verdragen.

Opinie | Opiniërend artikel
oktober 1998
AA19980816

De wetgeving inzake de opheffing van het algemeen bordeelverbod

J.J. Wiarda

Annotaties en wetgeving | Wetgeving
september 2000
AA20000653

De wetgeving inzake de reorganisatie van het openbaar ministerie

P.J. van der Flier

onderstaand artikel behandeld de wetswijzigingen die doorgevoerd zijn ter reorganisatie van het openbaar ministerie.

Annotaties en wetgeving | Wetgeving
oktober 1999
AA19990740

De wetgeving inzake goedkeuring en uitvoering van het Verdrag inzake de bestrijding van terroristische bomaanslagen en het Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme

J.J. Wiarda

Dit artikel behandelt de nieuwe wetgeving inzake terrorismebestrijding.

Annotaties en wetgeving | Wetgeving
oktober 2002
AA20020766

De wetgeving voor de modernisering van de rechterlijke organisatie

A.M.F. Loof-Donker

Dit artikel behandeld de nieuwe wetten die in werking zijn getreden om de rechterlijke organisatie te moderniseren.

Annotaties en wetgeving | Wetgeving
maart 2002
AA20020158

De wetgevingsjurist: croupier of poortwachter?

R.A.J. van Gestel

Post thumbnail Wetgevingsjuristen worden momenteel meer gedrukt in de rol van coproducenten van beleid dan in die van poortwachters die onrechtmatige wetgeving helpen tegenhouden. Wanneer we vinden dat wetgevingsjuristen een belangrijke rol hebben bij het bewaken van de effectiviteit en rechtsstatelijkheid van wetgeving verdient hun vermogen tot het bieden van tegenspraak versterking.

Blauwe pagina's | Recht en politiek
april 2020
AA20200316

De wetshistorische wortels van ons stille pandrecht. Waardoor verloor Meijers de slag om het registerpand?

A.F. Salomons

Post thumbnail

Ruim twintig jaar geleden voerde Nederland het stille pandrecht in voor zowel roerende zaken als vorderingen. Het betrof een van de belangrijkste vernieuwingen die het nieuwe Burgerlijk Wetboek in petto had. De vorm waarin het nieuwe zekerheidsrecht was gegoten (zonder registratie in openbare registers) was afgedwongen door de Tweede Kamer, die daarmee inging tegen de wens van de regering om een ‘registerpandrecht’ in te voeren. Het stille pandrecht was evenmin de eerste keus van de voornaamste gebruiker van dat recht, de bancaire sector. De nieuweling stond in 1992 dus geen hartelijk onthaal te wachten. De vraag die zich nu opdringt is hoe het zo ver heeft kunnen komen. Waaraan hebben wij dat door niemand echt gewilde geheime pandrecht te danken?

Overig | Rode draad | Historische wortels van het recht
april 2013
AA20130319

De wetten moeten schendbaar zijn!

P. Elverding

Het tweede lid van artikel 131 Grondwet luidt: ‘De wetten zijn onschendbaar. Deze bepaling, die de rechter verbiedt formele wetten te toetsen aan de Grondwet, zou volgens sommigen bij wijziging van de Grondwet herzien moeten worden. Zowel de samenstellers van de Proeve van een nieuwe Grondwet (1966) als een meerderheid van de leden van de Staatscommissie van advies in zake de Grondwet en de Kieswet (tweede rapport) stellen een herziening van artikel 131 lid 2 Grondwet voor’. De voorgestelde veranderingen zouden erop neerkomen dat de rechter de bevoegdheid krijgt wettelijke voorschriften buiten toepassing te la ten als toepassing van die voorschriften niet verenigbaar zou zijn met de grondrechten. De rechter zou dus bij invoering van deze verandering de wetten niet mogen toetsen aan andere bepalingen uit de Grondwet. Zowel de Staat commissie als de samenstellers van de Proeve willen de grondrechten, al dan niet gewijzigd, tezamen brengen in het eerste hoofdstuk van een eventueel vernieuwde Grondwet. Als ik in onderstaande beschouwing zal spreken over toetsing aan grondrechten, wordt, tenzij anders vermeld, bedoeld, de bezigheid van de gewone rechter te beoordelen of in een hem voorgelegd geval de wet in overeenstemming is met de dan vigerende grondrechten in de nationale Grondwet. De vraag is: is het wenselijk de rechter tot een dergelijke beoordeling te verplichten? Daartoe zal ik een overzicht geven van de voor- en nadelen van het toetsingsrecht, terwijl nader zal worden ingegaan op de betekenis van de grondrechten.

januari 1970
AA19700490

De WHOA en de ‘Steen der Wijzen’ – panacee of placebo?

S.R.F. Aarts, G.Á.C. Orbán

Post thumbnail De Wet homologatie onderhands akkoord (WHOA) is met veel loftuitingen onthaald als hét nieuwe wondermiddel om noodlijdende schuldenaren er weer bovenop te helpen. In veel gevallen is die lof terecht, maar niet altijd. Dit artikel beschrijft dat de WHOA soms slechts placebo-effecten biedt, en niet altijd het gehoopte ‘panacee’ is voor alle (financiële) kwalen. Bezint eer ge begint met de WHOA is dan ook het devies dat ten grondslag ligt aan dit artikel.

september 2021
AA20210793

De Wielingen

W.C.L. van der Grinten

Hoge Raad 14 januari 1983, nr. 11966, ECLI:NL:HR:1983:AG4519, RvdW 25 (Schuring/Sweelinck). Ook bekend als Sweelinck-conservatorium. De positie van de 'kraker' bij een rechterlijk vonnis gewezen tegen de verkoper van een gebouw waarbij de verkoper is veroordeeld het gebouw met alle zich daarop en daarin bevindende personen en roerende goederen te verlaten en te ontruimen.

Annotaties en wetgeving | Annotatie
november 1983
AA19830717

De wijze van het beschikbaarstellen van het documentair krediet

L.H.P.L.H. Habets, J.L.A. Kruizinga

De wijze waarop het documentair krediet beschikbaar kan worden gesteld is in dit artikel onderwerp van bespreking. Na een korte uiteenzetting over het begrip documentair krediet en de juridische plaatsbepaling ervan wordt achtereenvolgens aandacht besteed aan de wijze van kennisgeven en betaalbaar stellen alsmede aan de te onderscheiden kredietvormen. Een en ander mede tegen de achtergrond van de 'Uniform Customs and Practice for Documentary Credits'.

april 1984
AA19840195