The unbearable richness of (some) colleges I

1 Enige jaren terug had ik het voorrecht om – voor korte tijd – verbonden te zijn aan de Universiteit van Cambridge. Of liever: aan een van de colleges van die universiteit, want net als in Oxford en Durham zijn de colleges er de spil van het sociale en intellectuele leven. Ze zijn niet gericht op één studierichting, maar verenigen docenten én studenten van alle mogelijke richtingen. Sommige van die colleges zijn in onze ogen onmetelijk rijk, dit in tegenstelling tot de faculteiten die gewoonlijk straatarm zijn. De colleges hebben prachtige gebouwen, geven hun fellows en studenten goed te eten en weten de top van de mondiale wetenschap binnen te halen.

2 Hoe komen de colleges aan hun rijkdom? Een recente publicatie werpt licht op deze geschiedenis: in Riches and Responsibility: the Financial History of Trinity College, Cambridge (Cambridge: Granta 2008, 170 p.) beschrijft Robert Neild hoe Trinity College in Cambridge de huidige rijkdom verwierf. Anders dan ik had verwacht, blijkt een deel hiervan eerst recentelijk te zijn opgebouwd. Om te beginnen was er Hendrik VIII, ‘the founder’ zoals zijn koosnaam in Trinity luidt. Toen Hendrik met de kerk van Rome brak, lagen de vele bezittingen van die kerk – in het bijzonder de kloosters met hun uitgestrekte landerijen – voor het grijpen. Vele daarvan werden aan de hoogstbiedende verkocht, maar 20% besteedde Hendrik aan ‘corporations spiritual’, waaronder het door hem in 1546 gestichte Trinity. Dat kreeg jaarlijks maar liefst £ 2.000, twee en een half maal zoveel als het tot dan toe rijkste college, King’s.

3 In de achttiende eeuw ging het echter mis. Aan het hoofd van Trinity stond toen ‘Richard Bentley, the amazingly wicked, clever and energetic master who ruled or, rather, misruled the college from 1700 tot 1742’ (Neild, p. 69). Medio twintigste eeuw werd Trinity qua rijkdom in Cambridge zelfs voorbijgestreefd door King’s, waar een zekere Maynard Keynes – geen onverdienstelijk econoom – zijn theoretische kennis van de economie met briljante investeringen in de praktijk bracht. Minder bekend is zijn collega-‘bursar’ van Trinity, John Bradfield. In zijn ambtsperiode van 1956-1992 bracht hij de inkomsten van Trinity uit beleggingen van £ 0,2 miljoen op £ 15,3 miljoen. Vooral het besluit om enige – onvruchtbare – agrarische eigendommen een andere bestemming te geven bleek winstgevend. In Suffolk werd het ‘Trimley estate’ tot haventerrein geconverteerd en dichterbij werd op Trinity-grond het Cambridge Science Park gesticht.

4 Private investeringen met publieke middelen pakken niet altijd gunstig uit. Men hoeft het de provincie Zuid-Holland maar te vragen. Maar soms, met een goede ‘bursar’, valt in deze wereld heel wat te bereiken.

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi maart 2009

Categorieën: Columns, Weblogs
Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *