Recht voor in de schoen

Ons land lijkt verdeeld in twee bevolkingsgroepen: de sinterklaasgangers en de kerstvierders. Zelf behoor ik tot dat deel van de bevolking dat het aloude sinterklaasfeest – al dan niet met een Piet – in ere houdt. Er worden lootjes getrokken, surprises gemaakt en vileine gedichten bedacht. Een ander bevolkingsdeel houdt het bij het kerstfeest, tot en met het geven van geschenken (maar zonder surprises en gedichten). Voor de kerstvierders verzorg ik in een ander tijdschrift een jaarlijkse top-tien van boeken om ten geschenke te geven aan neef Roderick die overweegt de studie eraan te geven en nu een extra zetje nodig heeft om zijn bachelorwerkstuk af te ronden of nicht Victoria die juist zoveel aardigheid in de locale honours­variant heeft. Speciaal voor de lezers van dit blad heb ik nu ook met het oog op de sinterklaasviering een lijst samengesteld van boeken die ik de afgelopen jaren tegenkwam en die mij wel iets voor in de schoen lijken. Ook op deze lijst plaatste ik tien boeken uit de categorie plaatjesboeken, humor of zogenaamde humor en echte literatuur.

In de eerste plaats noem ik de uitgave The law in postcards & ephemera 1890-1962 (Clark, New Jersey: The Lawbook Exchange 2012, 102 p.), samengesteld door Michael Hoeflich, hoogleraar aan de University of Kansas School of Law – en ook auteur van een serieus boek over Roman and civil law and the development of Anglo-American jurisprudence (The Lawbook Exchange 1997, 207 p.). De briefkaarten over het recht die Hoeflich heeft verzameld, zien onder andere op animal lawyers, Dickensian lawyers, drinking lawyers, legal humor, law buildings, lawyers and love, lawyers and money, legal advertising en references to M. Galanter. Een van Hoeflichs rubrieken is humor in het recht, een thema dat – voor een enkele lezer wellicht verrassend – vooral Duitse auteurs lijkt aan te spreken. Twee bekende titels zijn Friedrich Otto von Gierkes Der Humor im Deutschen Recht (Berlijn: Weidmann 1871). Om heel eerlijk te zijn spreekt Von Gierkes gevoel voor humor mij minder aan. Zo noemt hij als voorbeeld uit het strafrecht het geval van de vrouw die haar man geslagen heeft en voor straf gezeten op een ezel het hele dorp door moet, terwijl haar man de ezel voer geeft. Nee, dan Jherings Scherz im Recht in der Jurisprudenz (Leipzig: Breitkopf 1884), een vlijmscherpe afrekening met de toentertijd vigerende Begriffsjurisprudenz.

Duitsers zijn niet de enigen met gevoel voor humor in het recht. De Belg Bernard Mouffe verdedigt in zijn Le droit á l’humour de plaats die het recht de humor dient te laten (Larcier 2011, 592 p.). Humor is ook niet het enige thema dat wij een plaats op onze sinterklaaswensenlijst zullen willen geven. Eerder wees ik al op de encyclopedie van alle Franse gerechtsgebouwen van Etienne Madranges (Les palais de justice de France, Parijs: LexisNexis 2011, 592 p.), waarmee we op onze salontafel goede sier kunnen maken. Een mooi plaatjesboek is ook dat van Remco van Rhee en Alain Wijffels (red.), Hoogste gerechtshoven in Europa. Een historisch portret, Antwerpen: Maklu 2013, 288 p.

Echte literatuur mag op onze lijst niet ontbreken. Goed om te herlezen is Dickens’ Bleak house (1853). Op de juridisch geïnspireerde romans van Honoré de Balzac (Le père Goriot, Eugénie Grandet) wees ik al eens eerder in dit blad (AA20130735; p. 176 van deze bundel). Een beetje procesrechtliefhebber kan natuurlijk niet buiten Kafka’s Der Prozess (Berlijn: die Schmiede 1925). Ten slotte, maar wel in het Ita­liaans, kan ik iedere sint-in-spe van harte aanbevelen Salvatore Satta’s (1902-1975) postuum gepubliceerde roman Il giorno del giudicio (Padova: CEDAM 1977, 182 p.).

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi november 2014

Categorieën: Columns, Weblogs
Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *