Nepauteurs: pronken met andermans veren II
In mijn column van oktober jl. (zie AA20060702; p. 56 van deze bundel) verdedigde ik de stelling dat het niet toelaatbaar is dat academische juridische artikelen op naam worden gesteld van anderen dan de werkelijke auteurs. Er is aanleiding om de kwestie aan de hand van een actueel voorbeeld verder uit te diepen. In het Nederlands Juristenblad van 18 augustus jl. stond een bijdrage over de Anjummer pensionmoorden (NJB 2006, p. 1558-1564). Op 17 november 1998 werd de pensionhoudster Marianne van der E. door het Hof Leeuwarden tot zes jaar gevangenisstraf en tbs veroordeeld voor het plegen van een dubbele moord. In het NJB betogen de auteurs dat de overwegingen van het Hof de veroordeling niet dragen. Zij bepleiten dat de rechter zijn strafvonnis in het algemeen beter motiveert en ook de ontlastende bewijsmiddelen bespreekt en beargumenteerd verwerpt. Hun conclusie is: ‘Zolang rechters daar niet toe overgaan en de Hoge Raad dergelijke gebrekkige motiveringen blijft accepteren, zullen dubieuze veroordelingen zoals in de Anjummer Pensionmoorden te frequent blijven voorkomen’ (p. 1564). Het artikel is in het NJB opgenomen onder het kopje ‘Wetenschap’ en het vermeldt een zestal namen als auteurs. Die geven aan dat het hier om een project – het Gerede twijfel-project – van de Universiteit Maastricht gaat.
Het artikel trok veel belangstelling in de media. Zelf luisterde ik op 19 augustus jl. naar een uitzending van de TROS Nieuwsshow, waarin een van de auteurs, de Maastrichtse hoogleraar Van Koppen, werd geïnterviewd. Deze maakte zich druk om een vergelijking van de interviewers met Maurice de Hond: wij gebruiken alleen wetenschappelijke methoden, De Hond doet dat niet, stelde hij. Voordien liet Van Koppen zich ontvallen dat hij het artikel niet zelf had geschreven: dat hadden de student-auteurs gedaan. Hij had het slechts voor zijn rekening genomen. Dat brengt mij op het thema van de vorige column. Naar mijn mening gaat het niet aan dat iemand goede sier maakt met de tekst van een ander. De eerlijkheid in de wetenschap brengt mee dat men zich bekend maakt als auteur van wat men heeft geschreven en zich ervan onthoudt dit te doen met betrekking tot teksten die men niet zelf heeft geschreven. Onder juristen lijkt dit gemeengoed; alleen in de Tweede Wereldoorlog – en vooral daarna – ontstond enige commotie toen handboeken van Joodse juristen (overigens soms in gemeen overleg) door niet-Joden van hun naam bleken te zijn voorzien.
De regel, dat men zich alleen als auteur aandient indien men de tekst zelf (mede) heeft geschreven, behoort men allereerst zelf na te leven. Maar ook ligt er een opvoedende taak voor de redacties van juridische tijdschriften. Als ik met Easyjet naar Engeland vlieg, wordt mij elke keer weer gevraagd of ik mijn bagage zelf heb ingepakt. Zo zouden ook redactiesecretarissen aan adspirant auteurs standaard de vraag moeten voorleggen, of zij allen als auteur aan het ingezonden artikel hebben bijgedragen. Een opvoedende taak is op dit punt voorts weggelegd voor universiteiten die onderzoeksprojecten hebben opgezet. Zoals het Gerede twijfel-project van de Universiteit Maastricht. Studenten behoren erop geattendeerd te worden dat hogergeplaatsten hun naam niet opdringen, hoe eervol dat op het eerste gezicht ook moge lijken.
Zijn er ook argumenten die tegen mijn visie pleiten? Zeker, daar ben ik niet blind voor. In de eerste plaats zijn er wetenschapsgebieden waar het gebruikelijk is dat vooraanstaande wetenschappers hun steun geven aan jonge auteurs door hun naam aan hun publicatie toe te voegen. In mijn vorige column noemde ik de farmaceuten, waarbij ik aan wijlen mijn collega De Wied dacht. Die stond jarenlang huizenhoog bovenaan op de farmaceutische citatie-index dankzij de praktijk van het mede als auteur ondertekenen van onderzoeken van mensen uit zijn eigen instituut. Zo is het wellicht ook bij de rechtspsycholoog Van Koppen gegaan. Ik sluit niet uit dat het bij psychologie zo werkt. Maar dat moet hij dan maar in zijn eigen psychologische vakbladen doen. Als hij een juridisch forum kiest, hoort hij zich aan de daar geldende regels te houden. En die sluiten het mede ondertekenen mijns inziens uit. In de tweede plaats is het ook onder juristen helaas niet ongebruikelijk dat het werk van de een op naam van een ander komt. Zodra men in hiërarchisch verband werkzaam is, is dat zelfs gebruikelijk. We spreken van een wetsvoorstel van minister Donner, niet van de ambtenaar die het voorstel geredigeerd heeft. Een conclusie wordt genomen door een advocaat-generaal, ook al berust deze geheel op het voorbereidende werk van een lid van het wetenschappelijk bureau. Een pleitnota staat op naam van een senior ook al heeft een junior het stuk geschreven. Gelukkig heerst in het wetenschappelijk discours een andere moraal: die van het open vizier. In de derde plaats: is het niet correct dat iemand die een project heeft bedacht daar ook de credits voor krijgt? Het project Gerede twijfel is vermoedelijk een geesteskind van Van Koppen. Naar ik aanneem is hij het die het project heeft uitgedacht, er studiepunten voor heeft weten te krijgen, personeel en fondsen heeft geworven, een wervende titel heeft verzonnen, en meer in het algemeen voor de uitvoering verantwoordelijk is. Dat rechtvaardigt in mijn ogen nog steeds niet dat zijn naam onder het artikel komt te staan. Wel is het een eis van academische comitas dat de auteurs van de belangrijke inbreng van Van Koppen cum suis uitdrukking geven. Voor wat hoort wat. Te vaak wordt dit verzuimd. Er verschijnen tegenwoordig zelfs handelsedities van dissertaties, waarin alleen aan de Engelse samenvatting nog is te zien dat het hier een proefschrift betrof. Dankwoorden aan de hooggeschatte promotor die de academische editie nog sierden, zijn zonder enige plichtpleging verdwenen (wat gerust mag, maar dat de naam van de promotor geheel verdwijnt gaat mij wat – te – ver). Auteurs behoren in hun waarde te worden gelaten, zonder toevoeging van nepauteurs, maar zij horen omgekeerd in hun verantwoording rekenschap te geven van hun schatplichtigheid aan anderen.
Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi november 2006




