Mr. Common Law: Tony Weir
Op 14 december 2011, precies een jaar geleden, overleed in zijn woonplaats Cambridge de bekende Engelse common lawyer Tony Weir. Ik zal er geen gewoonte van maken om deze column voor necrologieën te gebruiken, maar een enkele keer is een levensbericht gerechtvaardigd. Zeker als het iemand betreft, die kan worden gezien als de verpersoonlijking van de common law. En van die merkwaardige en tegelijk fascinerende levensstijl om in colleges te verblijven. Zelf werkte en woonde Weir bijna vijftig jaar op en in Trinity College, het rijkste en mooiste college van Cambridge (zie AA20050016; p. 11 van deze bundel).
Maar eerst iets over zijn betekenis voor de common law. Gedurende zijn gehele verblijf in Trinity schreef Weir case notes voor de Cambridge Law Journal (CLJ). Bij gelegenheid van zijn overlijden zijn deze in een bundel bijeengebracht (Catherine Barnard et al. (red.), On the case, Oxford: Hart 2012, 169 p.). Daarin is ook Weirs enige case note opgenomen die door de redactie was afgewezen (en door Weir vervolgens particulier op exact hetzelfde formaat als de CLJ was uitgebracht). De annotaties geven een prachtig beeld van het Engelse aansprakelijkheidsrecht, zoals van het leerstuk van pure economic loss. ‘Such soundbites, often provocative, always thoughtful, have stimulated generations of students to consider how tort law works and its role in the legal system and society in general’, zegt Paula Giliker in haar herdenking van Weir op een bijeenkomst van de British Association of Comparative Law afgelopen september (andere sprekers waren John Bell, Matt Dyson en Geoffrey Samuels). De lezer zal smullen van Weirs ‘tongue in cheek’-aankondiging dat ‘a law journal is no place for considerations of justice’, welke uiteraard gevolgd wordt door precies deze overwegingen. En zal baat hebben bij zijn Casebook on tort, waarvan in 2004 een tiende druk verscheen en waaruit ik in navolging van Giliker zijn typering van White v. Jones, [1995] 2 AC 207, citeer: ‘While Lord Goff opted for a pocket of liability, regardless of principle, Lord Browne-Wilkinson produced a principle out of his pocket and Lord Mustill found the pocket irreconcilable with any principle.’ En bij zijn Introduction to tort law, waarin Weir zijn visie op algemene theorieën over aansprakelijkheid aldus verwoordt: ‘Tort is what is in the tort books, and the only thing holding it together is their binding’.
Maar het meest bekend is Weir geworden van zijn vertalingen. De Einführung in der Rechtsvergleichung van Zweigert en Kötz wordt door voor- en tegenstanders beschouwd als de bijbel van de hedendaagse rechtsvergelijking. Dat de inleiding deze status heeft bereikt, moet ongetwijfeld worden toegeschreven aan de briljante vertaling van Weir. Kötz zelf heeft aangegeven dat de vertaling zijn bedoeling beter weergeeft dan de oorspronkelijke Duitse editie. Andere standaardwerken die hij uit het Duits vertaalde zijn Wieackers Privatrechtsgeschichte der Neuzeit en Großfelds Macht und Ohnmacht der Rechtsvergleichung. Uit het Frans vertaalde Weir onder meer Halpérins Le code civil français. Des te opmerkelijker is het dat Weir zelf weinig van Europa moest hebben; zijn brieven zaten vaak in enveloppen waarop reclame werd gemaakt voor de UK Independence Party. Ook van nieuwlichterij als de Law commission moest hij niets hebben. En dan te bedenken dat deze ras-Engelsman helemaal geen Engelsman was. Hij was een Schot die zijn juridische opleiding niet in de common law ontving, maar in het gemengde stelsel waar de Schotten zo trots op zijn.
Hoe was Weir als persoon? Hij was een begaafd violist die graag kamermuziek speelde (en opera verafschuwde), een kunstliefhebber met een voorliefde voor de Nederlandse schilder Carel Fabritius. Maar ook iemand wiens dress code en habitus voor de buitenstaander wat onverwacht kwamen: klein van gestalte, vroeger met vlinderdas maar als pensionado gekleed in onafscheidelijk oranje t-shirt, ‘which emphasized his increasing girth’ zoals de Trinity Law Association Newsletter het uitdrukt. En met een oude auto waarmee hij over de oprijlaan van zijn college scheurde. Ook iemand in wiens appartement op A3 Nevile’s Court regelmatig studenten waren te vinden, omdat Weir er een boekenbeurs had georganiseerd: altijd behulpzaam voor anderen. Mij hielp hij in mijn Trinity-tijd bij het vinden van woonruimte en wat daarbij komt: ‘Jones, the good man, will see to it that you get a telephone instrument’ (het riekt naar Jeeves). Een bijzonder mens.
Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi december 2012




