Juridisch argumenteren

Het gonst al enige tijd aan de juridische faculteiten in ons land. Leesclubjes zijn opgezet, debatavonden georganiseerd, onderwijsvernieuwingen aangekondigd, in honours-groepen wordt het besproken. Wat is er aan de hand? Onlangs verscheen het derde deel van het Algemeen deel van de Asser-serie. Dat vergt enige toelichting. Het eerste deel, geschreven door Paul Scholten, heeft in ons land welhaast de plaats van een Heilig Boek verworven; zoiets bewerk je niet (ooit van een tweede druk van het Nieuwe Testament gehoord?). De ‘bewerking’ door Jan Vranken van het Algemeen deel 1995 kreeg daarom de ondertitel Deel twee. In deel twee staat net als in deel een de plaats van de rechter centraal. In het onlangs uitgekomen vervolg deel drie – J.B.M. Vranken, Asser’s Algemeen deel. Een vervolg, Deventer: Kluwer 2005, 194 p. – gaat het om juridische argumentatie. Vranken breekt eerst vakkundig de Nederlandse rechtswetenschap af. Niets deugt er van ons recht, in Amerika is alles beter, dat is de boodschap. Het begint bij ons al met de studie: ‘Studieboeken komen niet verder dan een ordentelijke, weinig diepgaande en in ieder geval niet problematiserende weergave van het geldende recht, zoals het is’ (p. 5); voorts signaleert hij dat er ‘tijdens de studie niet of nauwelijks aandacht is voor inter- en multidisciplinariteit’ (p. 61). Vervolgens krijgt de Hoge Raad een veeg uit de pan: ‘Zo kan de Hoge Raad zelf bepalen of hij een casus aangrijpt om rechtsvormend op te treden. Zonder motivering, zonder uitleg ziet hij er in het ene geval vanaf [...] en in het andere niet’ (p. 11). De doctrine volgt: Tjittes en Vanquikenborne hebben preadviezen geschreven ‘waarin, voor zover zichtbaar, zelfs niet eens een poging is ondernomen het onderwerp mede op macro-niveau te situeren’ (p. 12). ‘Is het echt nodig veel tijd te besteden aan de rubricering van franchising op het kruispunt van overeenkomstenrecht en organisatierecht, zoals Teubner bijvoorbeeld doet?’ (p. 151). Juristen kijken altijd achterom (p. 14). Zij verhullen hun argumenten (p. 42).

Hoe moet het dan wel? Vranken is daarover veel korter. Radicaal? ‘Met juridische dogmatiek is op zichzelf niets mis’ (p. 150). Maar dat betekent niet dat zij op dezelfde wijze moet worden beoefend als thans: er is volgens Vranken ‘ruimte voor een minder technischjuridische stijl van argumenteren’ (p. 151). Rechtspolitieke keuzen kunnen opener op tafel komen. Een moeilijkheid ziet Vranken wel in de feitelijke grondslag: ‘Het belang van minder intuïtieve, op harde(re) informatie steunende argumenten is zonneklaar, maar moeilijk te realiseren’ (ibidem).

Natuurlijk zijn er meteen criticasters, die iets op het boek hebben aan te merken. In een ‘Privaatrecht actueel’ in WPNR wordt gesteld dat Vranken zich dan tegen het rechterlijk proces als rolmodel moge keren, zelf besteedt hij driekwart van zijn boek aan dit model. Al is deze kritiek wellicht enigszins gerechtvaardigd, dit doet niet af van de waarde van dit boek. In tegendeel: hopelijk zet het velen aan tot kritiek. Want dan zal men er toch eerst kennis van moeten nemen. En dat is buitengewoon leerzaam en boeiend tegelijk!

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi juni 2005

Categorieën: Columns, Weblogs
Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *