Hoor en wederhoor

Het recht kent regels en beginselen. Een regel is in duidelijke bewoordingen gesteld: gij zult niet doden, gij zult rechts rijden. Een beginsel is het principe dat de regel (mede) draagt. Regels zijn vaak de resultante van de conflicterende beginselen die er aan ten grondslag liggen. Zo is veelal sprake van een spanningsveld tussen contractvrijheid en de wens om de zwakke contractspartij of de derde te beschermen. Die beginselen kennen een zekere hiërarchie. En over de plaats van de beginsel in de hiërarchie wordt flink gestreden. De rechtsfilosoof John Rawls heeft ons geleerd dat processuele beginselen belangrijker zijn dan materiële principes. Niet iedereen is het daarmee eens. Maar over één ding zijn alle juristen het eens. Het meest fundamentele rechtsbeginsel is dat van hoor en wederhoor, zoals is vastgelegd in het huidige artikel 19 Rv en bevestigd door de Hoge Raad (NJ 2005/348). Dat beginsel kan al worden getraceerd naar het Romeinse recht – zie Lieke Coenraad, Het beginsel van hoor en wederhoor in het Romeinse procesrecht (diss. Rotterdam), Deventer 2000.

Het beginsel doet zich in vele gedaanten voor. Ik geef twee voorbeelden. De zitting is door de voorzitter beëindigd. Partijen zijn het zaaltje in het partycentrum uitgelopen en de aanwezige arbiters gaan ‘raadkameren’ om tot een eerste uitwisseling over het concept-arbitraal vonnis te komen. Er wordt op de deur geklopt. Eén van de partijen steekt zijn hoofd om de hoek. Heeft hij wellicht zijn jas laten hangen? Nee, meneer wil ons nog even laten weten – in het bijzijn van de wederpartij zei hij dat liever niet – dat diezelfde wederpartij eigenlijk een schoft is. Of wij weten van diens oorlogsverleden? Hebben wij kennisgenomen van zijn veroordeling tot drie maanden voorlopige hechtenis? Wie zich als arbiter leent voor het aanhoren van dergelijke verklaringen diskwalificeert zichzelf. Aantijgingen over de wederpartij mogen alleen in diens bijzijn worden geuit. Althans moet de wederpartij de reële gelegenheid zijn geboden om ter zitting aanwezig te zijn.

Een tweede voorbeeld: de advocaat is al achttien minuten aan het woord, als de president hem erop attendeert dat in dit ressort de maximum tijd voor pleidooi in kort geding twintig minuten bedraagt. En dat alles wat in de pleitnota staat maar niet mondeling naar voren is gebracht buiten beschouwing zal blijven.

Deze twee voorbeelden, uit eigen praktijk, kunnen als schoolvoorbeeld van het hoor en wederhoor worden gezien. Maar het beginsel heeft een wijder bereik dan de benaming suggereert. Ik geef nog enige casuïstiek, eveneens ontleend aan mijn eigen ervaring. Op de zitting ontbreekt een van de partijen, laten we zeggen de eiser. Als eiser ook na een kwartier wachten niet is komen opdagen, wordt de zaak in aanwezigheid van alleen gedaagde behandeld. Vervolgens doet zich voor wat elke arbiter vreest: tien minuten nadat gedaagde de zittingzaal heeft verlaten, wordt op de deur geklopt en ja hoor: ‘is dit de zitting van …? Sorry voor de vertraging, ik zat in de file’. Hoor en wederhoor eist nu, naar mijn mening, dat eiser niet in de gelegenheid wordt gesteld zijn woordje te doen (behalve over de file). Immers, gedaagde is dan niet in de gelegenheid daarop te reageren. Eiser kan omgekeerd niet volhouden dat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden doordat gedaagde in afwezigheid van eiser zijn zegje heeft kunnen doen, immers eiser was in de gelegenheid gesteld hierbij tegenwoordig te zijn. Dat hij in de file zat, is een factor die voor zijn rekening komt (scheidsgerechten plegen er bij de oproep voor te waarschuwen). En wat als hij vanuit de file met zijn mobiel belt om de vertraging te melden? Zo sterk is het beginsel mijns inziens dat dan in consultatie met de wederpartij moet worden onderzocht of enig uitstel mogelijk is. Wel zal degeen die zich tevoren om een legitieme reden afmeldt, bijvoorbeeld wegens ziekte, aanspraak hebben op uitstel van behandeling, hoe vervelend dat voor de inroostering bij het betrokken (scheids)gerecht ook moge zijn.

Hoor en wederhoor is het meest fundamentele beginsel van het procesrecht. Maar er is leven buiten het procesrecht. Wie heeft als kind nooit meegedaan aan charades: iemand wordt de kamer uitgestuurd en de overgebleven feestgangers bedenken een spreekwoord dat zonder gebruik van woorden moet worden uitgebeeld. De grap is er helemaal van af als degeen die het moet raden bij de beraadslaging aanwezig was. Ook bij mediation is hoor en wederhoor geen praktijk. Waarmee lijkt aangetoond dat deze vorm van geschilbeëindiging niet tot het burgerlijk procesrecht behoort – maar dat is een ander verhaal.

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi december 2005

Categorieën: Columns, Weblogs
Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *