Haags recht voor Nigeria: nog geen succes

Op 30 januari 2013 verraste de Haagse rechtbank met een aantal uitspraken over olievervuiling in de Niger-delta (LJN: BY9854, BY9850 en BY9845). Veel aandacht trok de uitspraak waarbij een Nigeriaanse eiser in het gelijk werd gesteld. Naar Nigeriaans recht, want dat was hier als lex loci delicti van toepassing. Een uitspraak dus, zo wordt alom beweerd, die van geen enkel belang is voor de ontwikkeling van het recht in Nigeria zelf. Daar zal men zich immers weinig – of niets – gelegen laten liggen aan de uitspraak van een vreemde rechter. Evenmin als aan een Duitse of voor mijn part Chinese uitspraak over olieverontreiniging in Nigeria door een Duits c.q. Chinees bedrijf. Het is deze visie die ik in deze column wil bestrijden. Ik wil niet in de tegenovergestelde visie vervallen, te weten dat de Haagse uitspraak in Nigeria zonder meer precedentwerking heeft. Maar er is ook zoiets als wat Maurice Adams ‘gravitational force’ van rechterlijke uitspraken noemt. Die valt hier goed te verdedigen.

Laten we eens aannemen dat de Chinese en de Duitse rechter net als de Haagse rechter aansprakelijkheid van de olievervuiler zouden aanvaarden. Dan nog zou de betekenis van deze rechtspraak in Nigeria gering zijn. Zou het evenwel om vaste rechtspraak van de gehele wereld, inclusief de common-law-rechters, gaan, dan zal een beetje Nigeriaanse rechter zich alvorens contrair te gaan wel achter de oren krabben. Zoals indertijd het US Supreme Court in Lawrence v. Texas, 539 US 558 (2003) bij monde van Justice Kennedy zijn meerderheidsopvatting mede baseerde op het mondiale mensenrechtelijk discours. Maar als dat zo is, dan zal hij eveneens benieuwd zijn naar het begin van deze avalanche, de Haagse uitspraak.

Laat ik mijn stelling illustreren met een – niet geheel spiegelbeeldige – casus in omgekeerde richting. Stel dat wij met een Chinese uitspraak over de arbeidsomstandigheden in een Chinees restaurant van doen krijgen. Heeft deze uitspraak voor ons enig belang? Ja zeker, is mijn suggestie. Bij de uitleg van een in Nederland gesloten overeenkomst tussen twee Chinezen mogen volgens HR 18 november 1983, NJ 1984/345 (Shu Ying Sheung/Lam Tho Hing) gangbare Chinese maatstaven een rol spelen. Daarbij kan beslist gewicht worden toegekend aan een Chinese rechterlijke uitspraak. Voorwaarden daartoe zijn wel dat Chinees en Nederlands recht bij voorkeur tot dezelfde rechtsfamilie behoren, hetgeen het geval is; dat voldaan wordt aan eisen van zorgvuldige motivering; dat de omgang met vreemd recht op dezelfde wijze plaatsvindt; en dat de Chinese uitspraak in het Nederlands of een andere westerse taal beschikbaar is. Niet uit te sluiten valt dat de Chinese uitspraak door de Nederlandse rechter zal worden gezien als een indicatie van een Chinees gebruik in deze. Maar evenmin valt op voorhand uit te sluiten dat de Chinese uitspraak op een van de genoemde punten door de processuele NL-mand zou vallen. Net als de Haagse uitspraak in Nigeria.

Wat is er dan mis met de Haagse uitspraak? Laat ik vooropstellen dat het knap is dat de rechtbank zich het Nigeriaanse recht zo eigen heeft gemaakt. Toch schort er het nodige aan. In de eerste plaats is er een aantal elementen waar de rechter weinig aan kan doen. Ik ben ervan overtuigd dat een vergelijkbare uitspraak van de Engelse rechter in Nigeria wel als gezaghebbend zou worden aangemerkt. Engeland behoort net als Nigeria tot de common-law-familie, sterker: het is er zo’n beetje het hoofd van. In Engeland geschiedt de vaststelling van buitenlands recht op dezelfde wijze als in Nigeria. De stijl van de uitspraak is dezelfde en dat geldt ook de taal. Nederland voldoet aan geen van deze criteria. Voorts moet een uitspraak de kwaliteit hebben om als gezaghebbend te worden aanvaard. En daaraan voldoet deze uitspraak – het spijt me dit te moeten zeggen – niet. Het lijkt zo mooi. Er wordt de nodige case law geciteerd – heel goed (zij het zonder vindplaatsen) – maar een common-law-rechter deinst er tegenwoordig niet voor terug om ook de nodige literatuur aan te halen. Anders dan in een common-law-uitspraak wordt in het Haagse vonnis niet vermeld met welke rechtspraak de advocaten voor beide partijen zijn gekomen. Wordt zo’n uitspraak anders niet veel te lang? Daar zijn common-law-rechters niet zo benauwd voor. Men leze er de uitspraak inzake A v National Blood Authority, [2002] All ER 307 maar op na. De rechtbank verraadt haar gebrek aan kennis in het citaat van Donoghue v Stevenson, 32 AC 562. Dat is wellicht de meest bekende common-law-zaak aller tijden. Geen enkele common-law-jurist zal de kwestie van de slak in het flesje gemberbier niet kennen. En ook weten dat een van de grote raadsels is hoe de toenmalige House of Lords een Schotse zaak kon aangrijpen om het Engelse aansprakelijkheidsrecht van een nieuwe grondslag te voorzien. De Haagse rechtbank kiest partij door het House of Lords als Engels aan te merken, maar lijkt zich niet van de kwestie bewust. Ten slotte: nu Nederlands geen wereldtaal is, zou een bijdrage aan het Nigeriaans juridisch discours beter mede in het Engels kunnen geschieden, bij voorkeur onder auspiciën van de rechtbank zelf. De slotsom is dat Haagse rechtspraak een bijdrage kan leveren aan het Nigeriaans juridisch discours, maar niet op deze manier.

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi juni 2013

Categorieën: Columns, Weblogs
Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *