Eigen recht eerst
Recht als exportartikel. Het is geen verzinsel. Op 13 maart 2012, anderhalf jaar geleden, heeft de minister van (Veiligheid &) Justitie een voorontwerp van wet gepubliceerd, dat expliciet beoogt partijen bij internationale transacties vaker voor arbitrage in Nederland te laten kiezen. Volgens minister – toen en nu – Opstelten kan dat door het Nederlands arbitragerecht te moderniseren. In een verder verleden hebben wij ons nieuw Burgerlijk Wetboek aan landen in Centraal en Oost-Europa ten voorbeeld gesteld. Nederland is niet het enige land dat reclame voor het eigen recht maakt. Wij zijn hierin voorgegaan door de Law Society of England and Wales die een pleidooi houdt voor toepassing van Engels recht, de Fondation pour le droit continental die het Franse recht aanbeveelt en de Bündnis für das deutsche Recht die – de lezer raadt het al – het op het Duitse recht houdt. Waarom toch steeds die vooringenomenheid voor het eigen recht? Is het allemaal zoveel beter dan vreemd recht? Of brengt het geld in het advocatenlaatje, zoals wanneer buitenlandse aandeelhouders gebruik maken van de schikking die het Amsterdamse hof ingevolge de Wet collectieve afwikkeling massaschade algemeen verbindend kan verklaren (maar zijn de griffierechten dan voldoende om de kosten voor ons gerechtelijk apparaat te dragen?). Stefan Vogenauer, aan wie ik deze gegevens ontleen, moet er niets van hebben, evenmin als Christian von Bar. Bij deze auteurs sluit ik mij aan.1
Er is niets op tegen als een wetgever zich door buitenlandse voorbeelden laat inspireren om het eigen recht transparanter en efficiënter te maken. Sterker nog: dat is heel goed. ‘Vergelijkt alles en behoudt het goede’, zo betitelde René de Groot geruime tijd terug zijn Maastrichtse intreerede. Wij Nederlanders hebben dat in het verleden ook ruimschoots gedaan. Dat kon ook omdat wij, zoals wijlen Joseph Luns het placht uit te drukken, zoveel buitenland hebben (om te verklaren waarom wij toen twee ministers van buitenlandse zaken hadden). Omgekeerd is het goed als het buitenland desgewenst van onze rechtscultuur profiteert. Daartoe is het gewenst dat wij die cultuur ook in Duitse, Engelse (zoals de Shell-uitspraak van de vorige column) en Franse vertaling toegankelijk maken. Maar het moet wel een vrije keuze blijven. En we moeten er niet van verwachten dat contractspartijen voortaan zullen zeggen: tja, dat Nederlandse recht is zo gek nog niet – laten we dat eens op onze overeenkomst van toepassing verklaren. Om terug te keren naar Vogenauer: ‘it remains to be seen whether such an exodus from national contract laws will ever happen and, if so, whether it will put competitive pressure on national lawmakers to improve their own contract laws’ (p. 78). Eigen recht eerst is geen goede optie. ‘Samen voor je eigen’ wel, maar dat is voer voor een andere column.
Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi september 2013




