Dress code

Onlangs vond in Utrecht een symposium voor eerstejaars studenten plaats. De jongens waren keurig gekleed in jasje en stropdas, de meisjes in rok of net broekpak. Ja, met de studenten zit het wel goed. En met hun docenten? Het is al weer enige tijd terug: bij een buluitreiking voor buitenlandse LLM-studenten verschenen de kandidaten in stemmige kledij, velen in nationale klederdracht. Een Noorse verscheen in het nationaal kostuum van haar moeder, een Schot in de onvermijdelijke rok, de Afrikanen in kleurrijke gewaden. Ook de meeste docenten hadden hun nationale klederdracht aan: spijkerbroek en overhemd los hierover heen. Plaatsvervangende schaamte bracht mij ertoe mijn collega’s een briefje te sturen met het verzoek om althans voor deze gelegenheid voortaan iets nets aan te trekken. Hetgeen zij – ere wie ere toekomt – ook keurig hebben gedaan.

Kleding is in de universitaire omgeving een belangrijke zaak. Voor Engeland geldt volgens Fiona Cownie, in Legal Academics (Oxford: Hart 2004), dat ‘The culture as a whole is clearly one in which casual dressing is acceptable’ (p. 188). Een mannelijke docent schreef de auteur:

‘One of the things I like most about the job is that there is no dress code. And I know it sounds silly, but I actually came from a private sector job, where the uniform was a suit and tie, black leather shoes, well-polished, hair neatly cut. I don’t choose what to wear to come to work any more [...]. I would deeply resent being given a dress code for work’ (p. 189).

Deze mening wordt gedeeld door zo goed als alle mannelijke respondenten.

Vrijheid blijheid dus? Toch niet helemaal. Men leze de volgende woorden van E. Green, in A. Guy, E. Green & M. Banim (red.), Through the Wardrobe: women’s relationships with their clothes (Oxford: Berg 2001):

‘In contemporary Western society, [an acceptable level of femininity] involves the ideal of a thin, white, hetero­sexual presence, and at least an efficiently managed body, hairstyle and persona. By contrast, male professors are granted the licence to fill out their academic roles with generous corporeality, including the booming voice and spreading torso which accompany many men into middle age. Women academics of the same age groups routinely struggle to conceal the weight gains that often accompany the menopause, lest they be exposed as fleshy matrons who threaten the masculine orthodoxy’ (p.  99).

Meer concreet schrijft een vrouwelijke docent: ‘I don’t want attention attracted to what I’m wearing. I want attention attracted to what I’m saying’ (Cownie, p. 192).

Er is dus in Engeland onder academici een grote mate van vrijheid in de keuze van hoe men zich opdoft (kleding, schoeisel, haardracht), maar die vrijheid is voor mannen groter dan voor vrouwen. Zou het in Nederland ook zo zijn? Mijn indruk, niet gebaseerd op statistisch verantwoorde steekproeven, is dat het in Nederland precies zo is als in Engeland, met één uitzondering: juist aan juridische faculteiten treft men wat vaker dassen- c.q. rokkendragers aan. Ook hier maken de kleren de man – en de vrouw.

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi december 2004

Categorieën: Columns, Weblogs
Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *