De wonderbaarlijke wedergeboorte(n) van de consument
Zevenenveertig jaar geleden, om precies te zijn op 15 maart 1962, verscheen een nieuwe ster aan het juridisch firmament. Met de ‘Special message to Congress on Protecting the Consumer Interest’ van president John F. Kennedy was een belangrijke actor in het recht geboren. De woorden ‘consumers by definition include all of us’ gaven een groot draagvlak aan de vier fundamentele rechten van de consument die in deze boodschap werden verwoord: het recht op veiligheid, informatie, keuze en gehoord te worden.
In de Verenigde Staten is van die vier fundamentele rechten van de consument sedertdien weinig meer vernomen. Het is aan onze kant van de Atlantische Oceaan dat Kennedy’s politieke meesterzet – die hem in de Amerikaanse traditie van Roosevelt’s ‘four freedoms’ moest plaatsen – navolging heeft gekregen. Eerst was het de Raad van Europa die een Handvest van consumentenrechten opstelde. Vervolgens maakte de Europese Unie zich van het thema meester. In 1975 kwam het Eerste programma tot bescherming van de consument tot stand. Zelden heeft een Europees programma zoveel succes gehad. Talloze richtlijnen kwamen in de afgelopen drieëneenhalve decennia tot stand. Zelfs werd hiervoor een afzonderlijk artikel opgenomen in het EG-verdrag. Maar telkens leek het succes ook eindig. Drie ontwikkelingen leverden een bedreiging op.
Allereerst was het die van de mededinging. Naarmate de marktwerking Europa in haar greep kreeg ontstond de gedachte dat consumentenbescherming niet langer nodig was. Voor een deel is dat ook zo. Niemand roept om herleving van de oude Uitverkopenwet of de Prijzenwet. De markt – zo nodig met steun van onze Neelie in Brussel – zorgt er wel voor dat het met de stuntverkopen en de prijzen niet uit de hand loopt. Maar de markt werkt alleen als zij transparant is en daarom blijven, naast toezicht op de mededinging, voorschriften over informatie en over productveiligheid geboden.
De tweede bedreiging kwam van de lidstaten. In de nieuwe lidstaten die jarenlang onder een socialistisch regime hadden geleefd, bestond weinig animo om de zieken, zwakken en misselijken van onze maatschappij weer te gaan beschermen. In eigen land kwam het moment dat onze eigen regering riep dat het consumentenrecht nu ‘af’ was. ‘Wetenschap is nooit af’, beweert een bekende universiteit in ons land, en dat geldt natuurlijk ook voor het consumentenrecht. Ondernemers zijn slimme lieden en steeds komen er weer nieuwe handelspraktijken (Dexia, Legiolease) die om nieuwe regelgeving vragen.
Een derde bedreiging roept het consumentenrecht momenteel op door zijn eigen succes. Ook anderen willen de bescherming van de consument deelachtig worden. Kleine ondernemers die op gewiekste wijze verleid worden om jarenlang dure annonces in ‘Business guides’ te plaatsen, zouden ook wel willen profiteren van de bescherming van de consument tegen langdurige contractsbinding. Omgekeerd proberen ondernemers onder hun verplichtingen uit te komen door zich als consument te presenteren. Mensen die een dagtaak hebben aan het handelen op marktplaats.nl menen – ten onrechte – zich met ‘C2C’- (‘consumer to consumer-’ transacties bezig te houden. Kortom: de centrale begrippen ‘consument’ en ‘handelaar’ (dat is Europees voor ‘ondernemer’) staan onder druk. Daar komt nog bij dat de Europese Unie inmiddels in de consumentenbescherming een andere doelstelling is gaan hanteren. Doel is, althans in het contractenrecht, niet langer de eerder bedoelde zieken, zwakken en misselijken bij te staan, maar juist omgekeerd met hulp van de geïnformeerde consument een gemeenschappelijke Europese markt te creëren. Het blijft met andere woorden spannend in het consumentenrecht. Maar ook deze bedreiging van een duidelijke afbakening zullen consument en ondernemer wel overleven: samen komen ze er wel uit.
Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi juni 2009




