Sciences Po: een nieuwe juridische faculteit in Parijs

Er is altijd wel wat op aan te merken: geen enkele juridische faculteit is perfect. Hoe mooi zou het zijn om met een schone lei te beginnen; om zelf een geheel nieuwe faculteit te ontwerpen en in te richten. Het is niet helemaal denkbeeldig. Piet Sanders overkwam het toen hij bouwdecaan werd van de juridische faculteit van wat thans de Erasmus Universiteit Rotterdam heet. Job Cohen en Hans Crombag mochten gestalte geven aan de rechtenstudie aan wat nu de Universiteit Maastricht is. Hein Kötz gaf een geheel nieuwe invulling aan de eerste particuliere rechten-opleiding van Duitsland, de Bucerius Law School. En Christophe Jamin (zijn vader was Nederlander) zette de rechtenstudie van Sciences Po op. En schreef daarover een boek: La cuisine du droit (Parijs: Lextenso 2012, 277 p.). In 2009 is de École de droit de Sciences Po van start gegaan. Dat ging niet zomaar. De traditionele juridische faculteiten huilden van woede. De nieuwe opleiding maakte zich schuldig aan oneerlijke concurrentie, want zij selecteert aan de poort. En zij geeft ten onrechte toegang tot de advocatuur, nu zij slechts een tweejarige master kent. Tot die master heeft namelijk in beginsel een ieder met een bachelor toegang, of het nu in rechten, wiskunde of lichamelijke opvoeding is. Hoewel de master officieel niet meer dan twee jaar in beslag neemt, zal zij in de praktijk vaak drie jaar kosten. Studenten wordt namelijk sterk aangeraden om er een jaar tussenuit te gaan teneinde hetzij een stage te lopen hetzij een tijd in het buitenland te studeren. Op dat laatste wordt in het eerste masterjaar al gepreludeerd door tweetalige cursussen – in het Frans en het Engels – aan te bieden. Een probleem bleek de afwezigheid in Frankrijk van daartoe gekwalificeerde docenten. De oplossing? Sciences Po importeert op grote schaal docenten uit het buitenland (onder wie de Nederlander Martijn Hesselink). Wat doen die docenten aan Sciences Po? De nieuwe École de droit heeft gebroken met de klassieke werkverdeling aan Franse faculteiten, waarbij de hoogleraar aan enige honderden studenten de cours magistral geeft, welke in kleinschalige travaux dirigés door de assistenten nader wordt verklaard. De achterliggende gedachte was dat ‘avant quatre ans d’un solide apprentissage du droit il n’était pas possible aux étudiants de raisonner en juriste’. In plaats hiervan mikt Sciences Po op kleine interactieve werkgroepen zonder dat studenten om de paar dagen werkstukken moeten inleveren.

Christophe Jamin was als geen ander gekwalificeerd om – met collega’s – de nieuwe opleiding op te zetten. Ooit verzorgde hij een cursus over de ontwikkeling van de juridische doctrine in de negentiende eeuw (waarin ik de betekenis van de Franse rechtsleer voor het negentiende eeuwse Nederlandse recht uiteen mocht zetten). Mede daardoor was hij op de hoogte van de vele veranderingen waaraan het Franse juridisch onderwijs blootgesteld is geweest. Daarnaast is hij uitvoerig in het buitenland te rade gegaan. In het bijzonder de Engelse en de Amerikaanse onderwijstraditie hebben in de voorbereiding een rol gespeeld. In het onderwijs zelf wordt er ook naar gestreefd om andere dan de common-law- en civil-law-tradities aan het woord te laten. Dat hangt samen met de visie dat Sciences Po-abituriënten zich bij voorkeur tot global lawyers dienen te ontwikkelen. Heel aantrekkelijk is de samenwerking die ook bij promotie-onderzoek is bereikt in de vorm van uitwisseling van promovendi in het tweede promotiejaar.

Toen de École de droit van Sciences Po tot stand kwam, werden de oprichters ervan beticht een school voor cuisiniers du droit te willen creëren. La cuisine du droit is daarom een toepasselijke titel voor deze vlot geschreven studie, die en passant ook nog een interessant beeld schetst van de perikelen waar de Amerikaanse rechtenstudie – zie D. Segal, ‘Is law school a losing game?’, New York Times 8 januari 2011 en ‘What they don’t teach law students: lawyering’, New York Times 16 juli 2011 – zich momenteel voor geplaatst ziet.

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi januari 2013

Categorieën: Columns, Weblogs
Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *