Made in Maastricht 1981-2021. Brieven aan jonge juristen bij het veertigjarig bestaan van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Universiteit Maastricht

Boekbespreking. De Maastrichtse rechtenfaculteit blaast dit jaar veertig kaarsjes uit. Ter ere van dit achtste lustrum is onder auspiciën van decaan prof. Jan Smits, tevens hoogleraar Europees Privaatrecht aan de faculteit, een brievenbundel uitgebracht waaraan maar liefst vijftig personen die nauw met de faculteit zijn verbonden, een bijdrage hebben geleverd. Daarmee lijkt een mooie traditie in gang gezet. Vijf jaar geleden immers, ter ere van haar zevende lustrum, werd de jubilerende faculteit geëerd met een prachtig werk van rechtshistorica Mariken Lenaerts, die aan de hand van een beknopte geschiedschrijving en interviews met vele Maastrichtse prominenten de – toch al rijke – historie van de faculteit in kaart heeft gebracht (Onconventionele juristen. Vijfendertig jaar Rechtsgeleerdheid in Maastricht, 2017). Ik zie nu al uit naar het boek dat het negende lustrum zal opluisteren.

De onderhavige bundel is niet op historische, maar op praktische leest geschoeid. Hij bevat – zo verraadt de subtitel – tal van brieven aan jonge, recent afgestudeerde juristen, geschreven door een grote schare Maastrichtse rechtsgeleerden. Daarmee past de bundel in een reeks eerdere werken die brieven aan jonge juristen bevatten (Dershowitz, Letters to a Young Lawyer, 2001; Gostomzyk & Jahn, Briefe an junge Juristen, 2015; De Rey & Tilleman (red.), Brieven aan jonge juristen, 2018). Aan die brieven, die conform de internationale signatuur van de faculteit afwisselend in het Nederlands en in het Engels zijn geschreven, kunnen waardevolle levenslessen worden ontleend. Het is daarbij echter steeds aan de lezer die lessen in zijn eigen levensverhaal in te passen, aldus prof. Smits in zijn voorwoord (p. 6).

Naast enkele vermaarde Maastrichtenaren, zoals prof. Theo van Boven (em. hoogleraar Internationaal Recht en voormalig decaan; p. 23-26), prof. Gerard-René de Groot (em. hoogleraar Rechtsvergelijking en Internationaal Privaatrecht; p. 89-92) en prof. Ton Hartlief (hoogleraar Privaatrecht; p. 97-100), hebben ook juristen die buiten de faculteitsmuren wellicht wat minder bekendheid genieten, mooie bijdragen verzorgd. Ik noem in het bijzonder Solange Daenen, universitair docent Privaatrecht, die de faculteit – met recht – haar ‘tweede huis en vijfde kind’ noemt (p. 45-49). Voorts treft men bekende namen aan die men aanvankelijk misschien niet met de Maastrichtse rechtenfaculteit zou associëren, maar daar toch een sterke band mee blijken te hebben. Wat te denken van Job Cohen (em. hoogleraar Juridische Methoden en Technieken en Ontwikkeling van Juridisch Onderwijs en de eerste decaan; p. 37-40), Ferdinand Grapperhaus (voormalig hoogleraar Europees Arbeidsrecht; p. 87-88) en Reinhard Zimmermann (ontvanger van een Maastrichts eredoctoraat; p. 229-231)? Hoewel zelf opgeleid aan de Nijmeegse rechtenfaculteit, laat Annemarie Penn-te Strake, burgemeester van Maastricht, zich in een ode aan ‘haar’ stad evenmin onbetuigd (p. 173-178).

Welke levenslessen bevat de bundel zoal? Sarah Schoenmaekers, universitair hoofddocent Europees Recht, geeft de alumni in een op de tekst van de titelsong van The Queen’s Gambit gebaseerde bijdrage tien tips waarmee zij hoopt ‘that [they] do not think about whether [they] have the courage to change – because [they] are [great] just the way [they] are – but that [they] wonder whether [they] have the courage to change the day’ (p. 193-195). Prof. Hans Nelen, hoogleraar Criminologie, roept de vers afgestudeerden vooral op kritisch te blijven en vragen te blijven stellen, waarvan het belang in de recente coronapandemie – waarin immers slechts weinigen in staat leken tot of ontvankelijk leken voor genuanceerde kritiek – nog maar eens is onderstreept (p. 153-156). En Fokke Fernhout, universitair hoofddocent Burgerlijk Procesrecht, wijst de jonge jurist er nogmaals fijntjes op dat van de woorden ‘school’ en ‘universiteit’ prudent gebruik moet worden gemaakt, zowel binnen als buiten de universiteitsmuren (p. 75-77).

De brievenbundel is blijkens het voorwoord bedoeld als Mestreechse wiesheidskalbas, oftewel, voor de niet-ingewijde lezer, als ‘Maastrichtse wijsheidskoffer’ (p. 6). Met een breed scala aan interessante levenslessen van een evenzo interessant auteurscorps maakt de bundel deze ambitie ruimschoots waar. Met die levenslessen kunnen alle jonge juristen hun voordeel doen, niet alleen juristen die van de Maastrichtse rechtenfaculteit zijn afgestudeerd, maar zeker ook juristen die elders in het land zijn opgeleid. De waarde van de bundel is derhalve allerminst tot de Maastrichtse stadsgrenzen beperkt, hetgeen echter niet wegneemt – ik moet het toch even kwijt – dat ik onwijs trots ben om made in Maastricht te zijn. (YC)

Het gaat het bestek van deze aankondiging te buiten om alle auteurs te bespreken. Met de selectie van auteurs is gepoogd de diversiteit van de van de bundel deel uitmakende bijdragen te illustreren. Nu evenwel alle bijdragen zonder meer het lezen waard zijn, noem ik in alfabetische volgorde de auteurs die niet aan bod zijn gekomen: Bram Akkermans, Britta Böhler, Peter Van den Bossche, Joost à Campo, Sjoerd Claessens, Fons Coomans, Wouter Devroe, Gijs van Dijck, Jan Eijsbouts, Mariolina Eliantonio, Michael Faure, Kees Flinterman, Janneke Gerards, Jos Hamers, Aalt Willem Heringa, Peter van der Heijden, Ewoud Hondius, Mark Kawakami, Saskia Klosse, Nicole Kornet, Pierre Larouche, Rianne Letschert, Liesbeth Lijnzaad, Raymond Luja, Natasja van der Meer, Roel Mertens, Mieke Olaerts, Augustín Parise, Marjan Peeters, Marta Partegás, David Roef, Hildegard Schneider, Kees Sterk, Tamar Valkenier, Antonia Waltermann, Reiner de Winter, Bruno de Witte, Christine Van den Wyngaert en Bas van Zelst.

J.M. Smits (red.)
Made in Maastricht 1981-2021. Brieven aan jonge juristen bij het veertigjarig bestaan van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Universiteit Maastricht
Den Haag: Boom juridisch 2021, 232 p., € 35

 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.