Het zelfgekozen levenseinde

Boekbespreking. Alweer enige tijd geleden verscheen van de hand van strafrechtjurist en filosoof Klaas Rozemond het boek Het zelfgekozen levenseinde. Het levert een belangrijke bijdrage aan de discussie over dementie en euthanasie en is, vanwege de praktische handvatten die het biedt aan mensen die hun levensbeëindiging willen regelen in een schriftelijke wilsverklaring, ook van waarde voor niet-juristen. Rozemond bepleit in zijn boek ‘dat het recht van mensen om over hun eigen levenseinde te beschikken beslissend zou moeten zijn in kwesties met betrekking tot euthanasie bij mensen met dementie’ (p. 15). Dit zelfbeschikkingsrecht dient ook het uitgangspunt te zijn bij de beoordeling van vraagstukken aangaande hulp bij zelfdoding.

Op basis van dit principe van zelfbeschikking is Rozemond kritisch op de zogeheten Koffiearresten van de Hoge Raad. De Koffiezaak draaide om een demente patiënte die voor haar dementie in een schriftelijke verklaring had laten weten niet langer te willen leven als zij in een verpleeghuis terecht zou komen. Toen zij eenmaal in het verpleeghuis zat, was met haar gesproken over levensbeëindiging maar gaf zij tegenstrijdige signalen. Uiteindelijk had een verpleeghuisarts, zonder de patiënte hierover te informeren, een slaapmiddel in haar koffie gedaan en haar vervolgens een dodelijk middel toegediend, waartegen ze zich fysiek leek te verzetten. In zijn twee arresten in de zaak keurde de Hoge Raad deze handelwijze goed. In deze uitspraken speelde het zelfbeschikkingsrecht van de demente patiënte geen rol. Ten onrechte volgens Rozemond, omdat het recht van mensen om te beslissen wanneer en op welk moment zij hun leven willen beëindigen is vastgelegd in artikel 8 van het EVRM, zoals uitgelegd door het Europese mensenrechtenhof. Voor mensen met dementie is dit zelfbeschikkingsrecht erkend in het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap en de Wet zorg en dwang. Verder is van belang dat uit recente wetenschappelijke inzichten blijkt dat ook zeer demente mensen hun leven positief kunnen waarderen. Dit betekent dat als zij er bij het opstellen van hun schriftelijke wilsverklaring van uitgingen dat het leven met vergevorderde dementie een nare ervaring is, en ze daarom hebben opgeschreven in zo’n situatie euthanasie te willen, het niet juist is om hen op basis van die wilsverklaring te euthanaseren als blijkt dat ze zich in het verpleeghuis uiteindelijk best goed voelen en willen blijven leven.

Rozemond meent daarom dat sprake is van een mensenrechtelijk tekort in het Nederlandse euthanasierecht. Omdat mensenrechten van een hogere orde zijn dan de Euthanasiewet en zwaarder wegen dan de arresten van de Hoge Raad, kunnen de Koffiearresten slechts worden gevolgd na een toetsing van deze arresten aan mensenrechtenverdragen. Rozemond is ook kritisch op de toetsingscommissies, die zijns inziens geen effectieve rechtsbescherming bieden aan demente patiënten. Hij pleit daarom voor verandering: ‘De erkenning van het zelfbeschikkingsrecht als grondslag van medische beslissingen betekent een fundamentele paradigmawisseling in het gezondheidsrecht. Mensen met vergevorderde dementie zijn niet langer wilsonbekwame patiënten waarover artsen moeten beslissen, maar cliënten met rechten die door artsen moeten worden gerespecteerd’ (p. 189).

In het meest filosofische deel van het boek bespreekt Rozemond auteurs als Joel Feinberg en Henk Blanken en komen de Dworkiniaanse, Epicuriaanse en hedonistische perspectieven op zelfbeschikking en levensbeëindiging aan bod. Het hoofdstuk geeft een heldere uiteenzetting van de verschillende filosofische visies – hoewel ik mijn twijfels heb bij de manier waarop Rozemond Wittgensteins woorden ‘De dood beleef je niet’ relateert aan euthanasie bij dementie en de uitspraak ‘Ik wil pas dood als ik niet meer leef’ van Blanken (p. 153). Wittgenstein bedoelt namelijk dat de letterlijke dood niet ervaren wordt omdat er dan in het geheel geen ervaring meer is, terwijl Blanken de situatie waarin iemand zo dement is dat hij geen relevante, begrijpelijke ervaringen meer heeft (maar nog wel in leven is en dus enige ervaring heeft) karakteriseert als een spreekwoordelijk dood-zijn. Opvallend is dat Rozemond zelf geen vlammend betoog houdt voor de ethische betekenis van het zelfbeschikkingsrecht. Dit maakt dat het boek de filosofische overtuigingskracht ontbeert om mensen die in het euthanasiedebat een ander begrip van het zelfbeschikkingsrecht hebben, of andere waarden hoger achten dan zelfbeschikking, te doen veranderen van standpunt ten aanzien van hoe het positief recht zou moeten zijn. Rozemonds boek is uiteindelijk meer juridisch dan filosofisch: het is een steekhoudend betoog dat de Nederlandse Euthanasiewet en de rechtspraak van de Hoge Raad over dit thema strijdig zijn met het geldende recht uit internationale mensenrechtenverdragen, maar gaat niet erg diep in op de vraag waarom deze internationale rechtsregels rechtvaardiger zijn dan de benadering van onze nationale wetgever en de Hoge Raad.

De kracht van het pleidooi van Rozemond is dat het op een genuanceerde, zakelijke en ingetogen manier een duidelijk en scherp punt weet te maken. In een gepolariseerd debat dat vaak wordt beheerst door ideologische, religieuze en emotionele sentimenten speelt hij op de bal en niet op de man. Het is ten slotte te prijzen dat Rozemond een boek heeft geschreven voor een breed publiek. Hij schrijft niet alleen een juridische verhandeling, maar geeft ook praktische handvatten aan mensen die hun levensbeëindiging willen regelen in een schriftelijke wilsverklaring. Bovendien maakt zijn prettige, heldere schrijfstijl het boek voor leken (zoals de huidige minister van Justitie en Veiligheid) zeer toegankelijk. Moge Rozemond hierin een voorbeeld zijn voor andere juristen. (JB)

K. Rozemond
Het zelfgekozen levenseinde
Leusden: ISVW Uitgevers 2021, 224 p., € 22,50

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.