F. de Graaf
Het leerstuk van de onrechtmatige daad, zoals de rechtspraak dat heeft ontwikkeld, vindt een bijzondere toepassing in artikel 1403 BW. Het eerste lid geeft immers, naast de aansprakelijkheid krachtens artikel 1401 BW voor eigen onrechtmatige daden, een verantwoordelijkheid voor o.a. schadetoebrengende daden van personen, voor wie men aansprakelijk is.
Dit nogal tautologisch aandoende eerste lid beschouwt men vrij algemeen als een inleiding op de volgende leden en als zodanig zonder zelfstandige betekenis. Een uitwerking van het beginsel van het eerste lid vinden we in het tweede lid, dat ouders (c.q. voogden) onder bepaalde omstandigheden (inwoning, ouderlijke macht c.q. voogdij) aansprakelijk stelt voor de schade, veroorzaakt door hun minderjarige kinderen. Deze schadetoebrengende handeling moet ongetwijfeld een onrechtmatige daad in de zin van artikel 1401 BW zijn, zij het dat de ouders ook aansprakelijk zijn wanneer hun kinderen niet toerekeningsvatbaar zijn wegens hun jeugdige leeftijd.
Lid 5 geeft de ouders dan een disculpatiemogelijkheid: zij zijn niet aansprakelijk wanneer zij bewijzen ‘dat zij de daad, voor welke zij aansprakelijk zouden zijn, niet hebben kunnen beletten’. De grote vraag bij dit artikel nu is, waarop deze ouderlijke aansprakelijkheid gebaseerd is; het antwoord op deze vraag is tevens beslissend voor de vaststelling van de omvang van de disculpatiemogelijkheden van het vijfde lid.
Zoals in dit artikel zal blijken, komt de opvatting van de rechtspraak over dit artikel praktisch neer op een aansprakelijkheid van de ouders voor eigen onzorgvuldig handelen met een - in de praktijk niet eens zo belangrijke - omkering van de bewijslast voor wat betreft de schuld ten gunste van de gelaedeerde.
januari 1969
AA19690021