Maandbladartikel

Nijmeegse scooter

N. Rozemond

Hoge Raad 17 december 2013, nr. 12/02825, ECLI:NL:HR:2013:1964 (Nijmeegse scooterzaak); Hoge Raad 17 december 2003, nr, 12/02841, ECLI:NL:HR:2013:1966 (Nijmeegse scooterzaak)

Annotaties en wetgeving | Annotatie
november 2014
AA20140841

Nijmegen vs. Tilburg: tussen rechtspersoon en onderneming

Interview met prof.mr. J.M.M. M aeij er en prof.mr. M .J.G.C. R aaij makers

W.M.T. Keukens, M.C.A. van den Nieuwenhuijzen

De door de Hertog van Parma tot Belvdre omgedoopte vestingtoren in Nijmegen was het toneel van een uniek gesprek tussen twee hoofdrolspelers in een rechtsgeleerd debat over rechtspersonen, vennootschappen en ondernemingen. Na een eerste deel waarin we kennis maken met de personen achter de hoogleraren, volgt een vurig discours over de grondslagen van het ondernemingsrecht, waarin Maeijer en Raaijmakers vol passie hun standpunten verdedigen en ten slotte met ons van gedachten wisselen over de toekomst van Business Law in Nederland. Onderwerpen zoals het begrip onderneming, rechtspersoonlijkheid, personenvennootschappen, flexibilisering van de BV, de (toekomst van de) Ondernemingskamer en de invloed van het Europees recht komen uitvoerig aan de orde.

Verdieping | Interview
april 2007
AA20070332

Nog even en dan krijgen emoji’s ook een juridische betekenis

L.A.G.M. van der Geld

Emoji’s zijn een vast onderdeel geworden van ons (digitale) taalgebruik, en nog even en dan krijgen emoji’s ook een juridische betekenis. In Canada is het zelfs al zover, vertelt Lucienne van der Geld in deze column.

Opinie | Column
oktober 2023
AA20230744

Nogmaals de tongzoen

N. Rozemond

Hoge Raad 26 november 2013, nr. 12/05539, ECLI:NL:HR:2013:1431, NJ 2014/62 m.nt. N. Keijzer (vervolg op Hoge Raad 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2653, NJ 2013/437 m.nt. N. Keijzer, AA 2013, p. 839-845 m.nt. N. Rozemond (1AA20130839))

Annotaties en wetgeving | Annotatie
april 2014
AA20140291

Nogmaals: het Polydor-arrest

P. Tuit

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, zaak 270/80, prejudiciële beslissing van 9 februari 1982

Annotaties en wetgeving | Annotatie
februari 1983
AA19830268

Nogmaals: het Polydor-arrest

P. Tuit

De bespreking van het arrest van het Hof van Justitie, inzake Polydor en RSO tegen Harlequin en Simons, door prof. mr. H.G. Schermers in AA 31 (1982) 9, p. 521 e.v., deed de auteur in eerste instantie enigszins in verwarring geraken. Uit het arrest werden namelijk enige conclusies getrokken die de auteur niet goed kon plaatsen in de uitspraak van het Hof. In dit artikel gaat de auteur hier verder op in.

februari 1983
AA19830268

Nogmaals: HP en het Philipsmerk

P.A.C.E. van der Kooij

Meesters-column
juni 1982
AA19820286-2

Nogmaals: Is een wetsvoorstel onschendbaar?

C.A.J.M. Kortmann

Hoge Raad 19 november 1999, nr. C98/096HR, ECLI:NL:HR:1999:AA3374, RvdW 1999, 179 De noot bij dit arrest behandelt de vraag hoe de hoge raad ertoe komt dat de rechter niet het oordeel toekomt dat 'onrechtmatig is gehandeld doordat bij de voorbereiding en de behandeling van die wet (wet algemene regels herindeling) terzake gegeven procedurevoorschriften zijn geschonden.

Annotaties en wetgeving | Annotatie
februari 2000
AA20000107

Nolan-Van Aalst

P. van Schilfgaarde

Hoge Raad 24 mei 1985, nr. 12438, ECLI:NL:HR:1985:AC8900, RvdW 1985, 108 (Nolan/Van Aalst) Vordering tot vernietiging van een boedelscheiding wegens gemis aan wil. Handeling om niet of onder bezwarende titel. Onderzoeksplicht.

Annotaties en wetgeving | Annotatie
november 1985
AA19850629

Nomomorfologie: over het juridische voorland van de bedrijfsethiek

B. Jansen

Bedrijfsethiek is onderworpen aan juridisering. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het stijgende aantal ethische codes in het bedrijfsleven. Deze juridisering van bedrijfsethiek betekent dat juridische denkwijzen de ethische denkwijzen verdringen of zelfs vervangen. Het resultaat is een bedrijfsethiek die meer en meer op recht is gaan lijken. In zijn proefschrift onderzoekt Bart Jansen deze ‘juridisch gedachte bedrijfsethiek’ en houdt hij een pleidooi om aan dit juridische denken in de bedrijfsethiek te ontkomen door een beroep te doen op de kritische bestudering van het recht.

Literatuur | Proefschriftbijdrage
oktober 2022
AA20220824

Non bis in idem of de schoonheid van de rechtsgeschiedenis

W.F. van Hattum

Post thumbnail

De afgelopen jaren deed ik onderzoek naar de achtergronden van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Dit artikel formuleert de voorwaarden waaronder een tweede vervolging wegens hetzelfde feit niet wordt toegestaan: non bis in idem. Aanleiding om mij in dit onderwerp te verdiepen vormden enkele arresten van de Hoge Raad. De Hoge Raad beriep zich voor zijn standpunt of er wel of geen sprake was van een tweede vervolging wegens hetzelfde feit op ‘de strekking van art. 68’ en ‘het beginsel van het artikel’. De vraag was: op welk beginsel beriep hij zich? Waar stond het? Waar kwam het vandaan? De antwoorden die ik in de geschiedenis vond, boden een verrassende blik op de gebeurtenissen, de taal, de ontwikkelingen, en de personen rond dit onderwerp. Zij ontsloten onder meer de bron van de woorden non bis in idem en de betekenis die zij in de loop der eeuwen kregen. Mijn bijdrage gaat over deze twee historische aspecten van de regel.

Overig | Rode draad | Historische wortels van het recht
april 2013
AA20130314

Non orare sed laborare Of: het Godsbesef in staatsrechtelijk verband

F. van Vugt

Nederland wordt wel een land van dominees en pastoors genoemd. Hoewel zo'n kenschets al weer achterhaald lijkt, geeft deze terecht aan dat religie en kerk een belangrijke plaats in de geschiedenis van ons land ingenomen hebben. Kerk en staat zijn vanaf de vroege Middeleeuwen sterk met elkaar verbonden geweest, en hoewel christenen uit Romeinen 13 konden afleiden dat alle gezag van God kwam, hebben geestelijke en wereldlijke autoriteiten elkaars heerschappij dikwijls bestreden. De tendens was overigens merkbaar dat de invloed van de staat op de kerk groter werd dan omgekeerd: er was eerder sprake van een staatskerk, dat wil zeggen ‘die vorm van samenwerking, waarin de Kerk zich tot een werktuig der staatsbelangen laat maken, in ruil voor macht en voordeel’ dan een kerkstaat ‘... waarin de Kerk zich met geweld aan de mensen en verho11dingen oplegt en de overheid als haar werktuig hanteert’. Overheidsorganen benoemden geestelijke gezagsdragers, deden leerstellige uitspraken, censureerden theologische boeken, enzovoort. Daar stond tegenover dat op voorspraak van de kerk ketters werden vervolgd door de overheid, burgers verplicht werden zich bij een kerkgenootschap in te laten schrijven, alleen kerkelijke huwelijken werden toegestaan, er financiële steun gegeven werd bij de bouw van kerken of in de vorm van tractementen aan geestelijken. Toen na de Franse revolutie zich een cultureel secularisatieproces verder ontwikkelde verminderde ook de stevige band tussen kerk en staat: privileges voor de kerkgenootschappen verdwenen allengs, en de invloed van de overheid op de kerkelijke instituten begon te tanen. Bovendien werd de vrijheid van godsdienst in meerdere grondwetten erkend. Het motto ‘een vrije kerk in een vrije staat’ deed opgeld. En in socialistische kring de leuze  godsdienst is een privézaak’. Clericalisme kon op steeds meer verzet rekenen. Zo betoogde ten onzent in de vorige eeuw minister Van der Brugghen dat de staat niet een positieve bijdrage voor geloofsverkondiging zou mogen leveren, maar een negatieve, dat wil zeggen dat de overheid de kerk in haar functioneren geen strobreed in de weg mocht leggen. De staat kon geen christelijke staat zijn, maar behoorde een neutraal karakter te hebben. Zo voltrok zich de scheiding tussen kerk en staat. Toch lijkt de conclusie niet gewettigd dat deze scheiding volstrekt is. Enkele archaïsch-religieuze elementen blijken nog aanwezig in ons staatsbestel, zij het dat deze niet geheel substantieel van karakter zijn, maar eerder op een ritueel duiden. Ik acht dit nochtans belangrijk genoeg om er aandacht aan te schenken, omdat de verhouding kerk-staat doorwerkt in de vraag naar het wezen van de overheid en het functioneren van onze democratie, en omdat de vrijheid van godsdienst en geweten in het geding is. In dit artikel zal nader ingegaan worden op enkele van deze religieuze restanten.

juli 1981
AA19810319